ECLI:NL:GHARL:2021:10152

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2021
Publicatiedatum
29 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.573
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 65 lid 3 RVV 1990Artikel 66 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor parkeren in parkeerverbodszone zonder geldige uitzondering

De betrokkene is beboet voor het parkeren binnen een parkeerverbodszone op 2 februari 2018 in Tiel. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof oordeelde dat de inleidende beschikking voldoende duidelijk was over de plaats, tijd en aard van de overtreding. De betrokkene en zijn gemachtigde slaagden er niet in aannemelijk te maken dat het voertuig op een voor parkeren bestemd weggedeelte stond, wat een uitzondering op het parkeerverbod zou vormen. De aanwezigheid van het parkeerverbod werd bevestigd door verklaringen van de ambtenaar en foto’s, die niet werden weersproken.

Het hof verwierp de bezwaren tegen de motivering van de beslissing en de inhoudelijke argumenten over de bebording en de locatie. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €95,- voor parkeren in een parkeerverbodszone en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.573/01
CJIB-nummer
: 214535511
Uitspraak d.d.
: 29 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 26 oktober 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de klacht over de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet adequaat heeft behandeld en verzoekt het hof om die klacht opnieuw te behandelen.
2. De kantonrechter heeft overwogen dat de officier van justitie, hoewel de motivering van de beslissing in bewoordingen van algemene aard is weergegeven, voldoende ingaat op de door de gemachtigde aangevoerde gronden en van schending van het motiveringsbeginsel, zoals de gemachtigde stelt, niet is gebleken.
3. De gemachtigde heeft in het beroepschrift van 6 juni 2018 onder het kopje ‘motiveringsbeginsel’ niet meer aangevoerd dan dat de beroepsgronden niet deugdelijk zijn behandeld, dat de officier van justitie niet of niet adequaat ingaat op de gemotiveerd gemaakte punten, dat er een begrijpelijke reactie op had moeten komen en dat de gronden alsnog dienen te worden behandeld.
4. Nu de gemachtigde - een professionele rechtsbijstandsverlener - in de procedure bij de kantonrechter heeft volstaan met bovenstaande stelling en niet heeft aangegeven op welke gronden er volgens hem niet deugdelijk is ingegaan en om welke reden de motivering van de beslissing van de officier van justitie op die punten gebrekkig is, kon de kantonrechter volstaan met hetgeen hij heeft overwogen (vgl. het arrest van het hof van 5 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9122). Het verweer treft geen doel.
5. De bezwaren richten zich verder tegen de opgelegde sanctie.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 februari 2018, om 20:26 uur op de Kerkstraat in Tiel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De gemachtigde voert aan dat pas in hoger beroep bekend is geworden waar de betrokkene geparkeerd zou hebben, zodat reeds daarom het beroep bij de kantonrechter en het hoger beroep gegrond zijn.
8. Uitgangspunt in Wahv-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens moet bevatten om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vgl. het arrest van het hof Leeuwarden van 26 januari 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373). Daar is in het onderhavige geval aan voldaan. De enkele omstandigheid dat de pleeglocatie niet nader is aangeduid, maakt niet dat de plaatsaanduiding zo ruim is dat bij de betrokkene misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging waarvoor bij die beschikking de sanctie is opgelegd. De gemachtigde heeft ook niet aangegeven in welk opzicht hij niet in staat is (geweest) verweer te voeren tegen de gedraging. Het verweer wordt verworpen.
9. Voorts voert de gemachtigde aan dat niet is komen vast te staan dat de juiste bebording aanwezig was, temeer nu de ambtenaar slechts verwijst naar een plattegrond zonder een datum te noemen.
10. Deze klacht treft ook geen doel. De verklaringen van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, zoals opgenomen in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal van 7 maart 2019, houden in dat op de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd een parkeerverbodszone van kracht is. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding hieraan te twijfelen. De gemachtigde betwist de aanwezigheid van de bebording, maar hij heeft niet aangegeven langs welke route de betrokkene naar de plaats is gereden waar hij de auto heeft geparkeerd (vgl. het arrest van 28 februari 2020, rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2020:1803, ov. 8). Bij die stand van zaken bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek naar de bebording.
11. Tevens voert de gemachtigde aan dat de betrokkene achter de kerk heeft geparkeerd maar dat dit terrein niet tot de rijbaan behoort, zodat een mogelijk bord E1 niet geldt en voorts dat de betreffende locatie, gelet op de verklaring van de ambtenaar over de wijze van bestrating en de foto’s in het dossier, moet worden aangemerkt als een weggedeelte waarop parkeren is toegestaan.
12. Gelet op het voorgaande staat vast dat het voertuig stond geparkeerd binnen een parkeerverbodszone, aangeduid door middel van een zonebord E1. Anders dan de gemachtigde meent, heeft het bord E1 (zone) niet uitsluitend betrekking op de rijbaan. Binnen een parkeerverbodszone mag alleen op daartoe bestemde weggedeelten worden geparkeerd (artikel 65, derde lid, in samenhang met artikel 66 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990, RVV 1990). Dat is een uitzondering. Dit brengt mee dat het aan een betrokkene of diens gemachtigde is om aannemelijk te maken dat sprake is van een voor parkeren bestemd weggedeelte.
13. Daarin zijn de betrokkene en zijn gemachtigde niet geslaagd. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde en door de gemachtigde niet weersproken foto’s blijkt dat er op de plaats waar het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond, niet door middel van belijning of bestrating gemarkeerde parkeervakken waren aangebracht. Evenmin is sprake van een andere aanduiding, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze locatie een voor parkeren bestemd weggedeelte betreft.
14. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.