ECLI:NL:GHARL:2021:10170

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2021
Publicatiedatum
1 november 2021
Zaaknummer
200.297.756/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende gronden

In deze zaak stond de verlenging van een ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal. De moeder was het niet eens met de verlenging die door de gecertificeerde instelling (GI) was verzocht en ging in hoger beroep. De minderjarige woont bij de moeder en beide ouders hebben gezamenlijk het gezag.

De kinderrechter had de ondertoezichtstelling reeds verlengd tot januari 2022, maar het hof oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor verlenging niet waren vervuld. De moeder werkte goed mee met de hulpverlening, de situatie van de minderjarige was verbeterd en gestabiliseerd, en er was sprake van een goede samenwerking met school en tussen ouders.

Hoewel de traumatherapie van de minderjarige nog niet was afgerond en er nog geen warme overdracht naar de gemeente had plaatsgevonden, vond het hof deze omstandigheden onvoldoende om de ondertoezichtstelling te verlengen. De moeder toonde voldoende vaardigheden en er was vertrouwen in de toekomst. Het hof vernietigde daarom de bestreden beschikking en wees het verzoek tot verlenging af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af en vernietigt de bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.297.756/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 205919)
beschikking van 28 oktober 2021
inzake
[verzoekster](de moeder),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
gevestigd te Groningen,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader](de vader),
wonende op een geheim te houden adres.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 juli 2021;
- een journaalbericht namens de moeder van 2 augustus 2021 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 6 augustus 2021;
- een journaalbericht namens de moeder van 15 oktober 2021 met bijlage(n).
2.2
De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 21 oktober 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam1] namens de GI.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2007. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 23 juli 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 23 juli 2021.
3.3
Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 januari 2022.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.
4.2
De GI heeft ter zitting van het hof desgevraagd aangegeven dat er geen gronden (meer) zijn voor de ondertoezichtstelling. Ten tijde van de bestreden beschikking was er nog slechts onduidelijkheid over de overdracht van de hulpverlening.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan voornoemde wettelijke criteria. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
5.3
Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, volgt dat de moeder sinds het instellen van de ondertoezichtstelling goed heeft meegewerkt met de hulpverlening en daar ook van heeft geprofiteerd. Het gaat goed met [de minderjarige] en de moeder. Dit is en wordt gezien door de hulpverlener(s) en ook door de GI. In het inleidend verzoek van 21 mei 2021 merkt de GI daarover op dat er het afgelopen jaar hele grote stappen zijn gezet en dat de situatie van [de minderjarige] is verbeterd en gestabiliseerd. [de minderjarige] gaat weer (deels) naar school, heeft traumatherapie en er is een goede samenwerking tussen de moeder en de school. Ook hebben de ouders goed contact over [de minderjarige] . De verlenging van de ondertoezichtstelling werd verzocht om te werken aan een warme overdracht naar de gemeente, zodat de ondertoezichtstelling goed kon worden afgesloten.
5.4
In het eindrapport MDFT van 15 juli 2021 staat vermeld dat de moeder al vrij snel in het traject heeft laten zien dat zij de handvatten die de spoedhulp haar heeft aangereikt toepast en dat dat heeft gezorgd voor meer rust in het gezin. Er doen zich geen heftige incidenten meer voor. De moeder is voorspelbaar en meer duidelijk naar [de minderjarige] . Moeder en zoon hebben meer vertrouwen in elkaar gekregen en kunnen zaken bespreken. De conclusie is dat de moeder voldoende vaardigheden heeft om als moeder de regie te hebben in huis en dat er vertrouwen is voor de toekomst.
5.5
De omstandigheid dat de traumatherapie van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking nog niet was afgerond, het contact met de vader (tijdelijk) was gestopt en er geen warme overdracht van de hulpverlening naar de gemeente had plaatsgevonden, is onvoldoende om te concluderen dat nog steeds sprake is van een situatie die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Voor zover [de minderjarige] nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt/werd bedreigd, stond ten tijde van de bestreden beschikking al vast dat de moeder in staat is passende hulp te vragen en te accepteren. Dit heeft zich ook bewezen in de ontwikkelingen nadien. Inmiddels is de traumatherapie afgerond, gaat [de minderjarige] weer naar school, is er goed contact tussen [de minderjarige] en zijn vader en gaat [de minderjarige] naar [naam2] om onderzoek te doen naar de oorzaak van zijn concentratieproblemen.

6.De slotsom

Het voorgaande brengt mee dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt afgewezen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 juli 2021;
wijst het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, J.G. Idsardi en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. L.N. Tabak als griffier, en is op 28 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.