ECLI:NL:GHARL:2021:1028

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.244.036
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter wegens onvoldoende onderzoek financiële draagkracht bij zekerheidstelling Wahv

De betrokkene was in beroep gegaan tegen een beslissing van de kantonrechter die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van een administratieve sanctie en administratiekosten onder de Wahv.

De betrokkene had echter een betalingsregeling met het CJIB getroffen en betaalde de sanctie in termijnen. Het hof overweegt dat in gevallen waarin de betrokkene met redenen aangeeft niet in staat te zijn de volledige zekerheid te stellen, de kantonrechter de betrokkene moet horen over zijn financiële draagkracht.

De kantonrechter had dit niet gedaan, terwijl het betaalgedrag van de betrokkene aanleiding had moeten zijn tot nader onderzoek. Daarom vernietigt het hof de beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank om alsnog te beoordelen met inachtneming van deze overwegingen.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld. Het arrest is gewezen door mr. Anjewierden en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de financiële draagkracht van de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.036/01
CJIB-nummer
: 201357503
Uitspraak d.d.
: 2 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 10 april 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B.H.J. Hartgers, kantoorhoudende te Deventer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat de betrokkene geen dan wel niet tijdig zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en de administratiekosten.
2. De gemachtigde voert in hoger beroep namens de betrokkene aan dat het bedrag van de sanctie – overeenkomstig een betalingsregeling met het CJIB – in termijnen is betaald. Het beroep is door de kantonrechter ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter.
4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
5. Dit brengt, ook gelet op het arrest van het hof van 17 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1139) mee dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.
6. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de Wahv in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.
7. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene uiterlijk 17 april 2017 zekerheid had moeten stellen voor het bedrag van de administratieve sanctie en de administratiekosten. Uit het zaakoverzicht d.d. 15 september 2017 blijkt dat het CJIB tweemaal – te weten op 27 maart 2017 en op 24 april 2017 – een betaling van € 79,67 heeft ontvangen en eenmaal – te weten op 23 mei 2017 – een betaling van
€ 79,66.
8. De betalingen van de betrokkene zijn telkens aan het einde van de maand ontvangen terwijl deze steeds een derde bedragen van de opgelegde sanctie en de administratiekosten. De betrokkene heeft dus kennelijk het bedrag van de sanctie niet ineens kunnen voldoen. Hoewel de betrokkene niet in reactie op de zekerheidsbrieven een draagkrachtverweer heeft gevoerd, hetgeen het hof gelet op de reeds met het CJIB getroffen betalingsregeling niet onbegrijpelijk acht, had het betaalgedrag van de betrokkene, dat kennelijk gebaseerd was op een regeling daaromtrent met het CJIB, voor de kantonrechter aanleiding moeten zijn de financiële draagkracht van de betrokkene te onderzoeken. Daartoe had de betrokkene in de gelegenheid moeten worden gesteld om op een openbare zitting te worden gehoord. Nu de kantonrechter dit heeft nagelaten, kan diens beslissing niet in stand blijven.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van het hier overwogene.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt) en de nadere toelichting (0,5 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.