ECLI:NL:GHARL:2021:10284

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.293.876/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde geen zekerheid in een bestuursstrafprocedure, terwijl dit wettelijk verplicht was. Na vernietiging van een eerdere beslissing wegens een ontbrekende herinneringsbrief, wees het hof de zaak terug naar de rechtbank met de instructie om een nieuwe termijn voor zekerheidstelling te geven.

De griffier van de rechtbank stuurde vervolgens een brief waarin de betrokkene werd gewezen op de verplichting om zekerheid te stellen, hoewel zonder vermelding van het wettelijke voorschrift. Het hof oordeelde dat dit voldoende was, mede omdat een eerdere brief van de officier van justitie het wettelijke voorschrift wel bevatte en de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener bekend mag worden verondersteld met de regelgeving.

Omdat de betrokkene alsnog geen zekerheid stelde, verklaarde de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk. Het hof bevestigde deze beslissing en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tevens werd meegedeeld dat het CJIB de eerste verhoging had teruggedraaid.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid, en deze beslissing werd bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.293.876/01
CJIB-nummer
: 219854941
Uitspraak d.d.
: 4 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2021, betreffende

Stichting [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.J.O. Zandt, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daarna heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 oktober 2021. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert - kort samengevat - aan dat er geen herinneringsbrief is verzonden inzake het stellen van zekerheid. Er is derhalve geen sprake van het rechtsgeldig attenderen op de verplichting tot zekerheidstelling. Verder wijst de gemachtigde erop dat in de brief van de griffier van de rechtbank van 28 januari 2021 niet het wettelijk voorschrift is vermeld op grond waarvan zekerheid dient te worden gesteld.
3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 3 mei 2019 heeft de officier van justitie de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting ex artikel 11 van Pro de Wahv om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen. Deze brief is ook aan de gemachtigde verzonden. Er is geen zekerheid gesteld. Bij beslissing van 30 juli 2019 heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 18 november 2020 heeft het hof de beslissing van de kantonrechter van 30 juli 2019 vernietigd, omdat de tweede zekerheidsbrief van 20 mei 2019 niet is verzonden. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam en geoordeeld dat voor zover er nog geen zekerheid is gesteld, de kantonrechter na terugwijzing van de zaak een nieuwe termijn dient te bepalen waarbinnen alsnog zekerheid moet worden gesteld. Daarvan moest door de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde mededeling worden gedaan met inachtneming van artikel 11, vierde lid, van de Wahv. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene bij brief van 28 januari 2021 de gelegenheid gegeven om binnen dertig dagen na verzending van deze brief zekerheid te stellen door ten minste een bedrag van € 234,- te voldoen.
4. Gelet op de brief van de 3 mei 2019 van de officier van justitie in samenhang met de brief van de griffier van de rechtbank van 28 januari 2021 – waarvan de ontvangst door de gemachtigde niet is betwist – alsmede op het arrest van het hof van 18 november 2020, is de betrokkene genoegzaam gewezen op de verplichting om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de administratieve sanctie en de administratiekosten. Geen rechtsregel schrijft voor dat de griffier van de rechtbank na terugwijzing van een zaak door het hof de betrokkene tweemaal moet wijzen op de verplichting tot zekerheidstelling. Dat het wettelijk voorschrift, waarin is bepaald dat in de procedure bij de kantonrechter zekerheid moet worden gesteld, in de brief van de griffier van de rechtbank van 28 januari 2021 niet is genoemd, leidt niet tot het oordeel dat de betrokkene niet op de juiste wijze is gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het wettelijk voorschrift wel is vermeld in de brief van de officier van justitie van 3 mei 2019. Bovendien mag van de gemachtigde van de betrokkene, als professioneel rechtsbijstandverlener, worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is op grond van welk wettelijk voorschrift in de procedure bij de kantonrechter zekerheid moet worden gesteld.
5. Gelet op het voorgaande is de betrokkene op juiste wijze in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Nu zekerheidstelling achterwege is gebleven, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
7. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal medegedeeld dat aan het CJIB de opdracht is gegeven de toegepaste eerste verhoging ongedaan te maken en dat is gebleken dat het CJIB daaraan inmiddels uitvoering heeft gegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.