Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1997 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met gemeenschap van inboedel en een lijst van aanbrengsten, waaronder een woning en een eenmanszaak. Na het indienen van het verzoek tot echtscheiding in maart 2020 ontstond een geschil over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verrekening van het vermogen.
De man kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank die hem veroordeelde tot betaling aan de vrouw, met meerdere grieven over de waardering van de woning, de eenmanszaak, hypotheekverhogingen en verrekening van kosten. De vrouw kwam met een incidenteel hoger beroep over de peildatum van het te verrekenen vermogen.
Het hof oordeelde dat de vordering van de vrouw op de man niet tot het te verrekenen vermogen behoort en dat de peildatum voor het verlaten van de echtelijke woning, 1 mei 2018, bepalend is. De waarde van de woning wordt vastgesteld op 1 april 2019. Diverse grieven van de man werden (gedeeltelijk) gehonoreerd, waaronder correcties op verrekeningen en kosten. Het verzoek om een gebruiksvergoeding werd afgewezen wegens strijd met redelijkheid en billijkheid.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking gedeeltelijk, stelde de verrekening conform de huwelijkse voorwaarden vast, compenseerde de proceskosten en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof vernietigt deels de beschikking van de rechtbank, stelt de peildatum op 1 mei 2018 en wijzigt de verrekening van het vermogen conform de huwelijkse voorwaarden.