ECLI:NL:GHARL:2021:10377

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
9 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.278.848
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging correcte snelheidsmeting met lasergun ondanks betwisting cosinuseffect

De betrokkene werd bij beschikking een administratieve sanctie van €157 opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met 18 km/h op een weg buiten de bebouwde kom. Betrokkene voerde in hoger beroep aan dat de snelheidsmeting onjuist was vanwege het cosinuseffect en onacceptabele meetwaarden volgens de handleiding van het meetinstrument.

Het hof beoordeelde de technische toelichting van een verkeersspecialist die uitlegde dat de meting binnen de toegestane verhouding van 1:10 was uitgevoerd en dat het cosinuseffect altijd in het voordeel van de bestuurder werkt, waardoor de gemeten snelheid lager is dan de werkelijke snelheid. De betrokkene stelde ook dat er sprake was van belangenverstrengeling omdat de verklaringen van de ambtenaar en de specialist van dezelfde politieregio kwamen, maar het hof vond dit onvoldoende om de juistheid van de meting te betwijfelen.

Het hof concludeerde dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond had verklaard en bevestigde de sanctie. De procedure werd verder niet inhoudelijk behandeld vanwege het beperkte toetsingskader bij Wahv-zaken. De bejegening door de kantonrechter werd door het hof niet meegenomen in de beoordeling.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter dat de snelheidsmeting correct is uitgevoerd en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.278.848/01
CJIB-nummer
: 223534250
Uitspraak d.d.
: 9 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 24 februari 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 157,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 18 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 februari 2019 om 9:38 uur op de Ir. Enschedeweg in Wilnis met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan teleurgesteld te zijn omdat de behandeling van de zaak is aangehouden door de kantonrechter waarbij hetgeen de betrokkene aanvoerde compleet werd genegeerd, net zoals hetgeen de betrokkene in reactie op de toegezonden stukken aanvoerde. De kantonrechter die de zaak vervolgens behandelde had geen kennis van de zaak en miste bepaalde stukken uit het dossier die van doorslaggevend belang waren. Daarnaast werd de betrokkene twee keer vervelend en abrupt geïnterrumpeerd tijdens zijn betoog ter zitting. De kantonrechter overweegt dat de betrokkene ter zitting de gedraging heeft ontkend, maar dat is niet het geval. Ook wordt uitvoerig ingegaan op de positie van de ambtenaar, wat ook niet ter zake doet. Waar het de betrokkene om gaat is dat de meting niet correct is uitgevoerd. De betrokkene voert aan dat de instructie voor het gebruik van de laserapparatuur spreekt over acceptabele en onacceptabele waarden. De waarden die door de ambtenaar zijn verkregen vallen onder de onacceptabele waarden. De afstand tot de rijlijn was groter dan de toegestane 1:10 verhouding. Door de ambtenaar en de heer [naam1] wordt gesteld dat wanneer de verkregen waarde onacceptabel zou zijn, de sanctie evengoed terecht is omdat de daadwerkelijk gereden snelheid toch nog hoger zou zijn. Dit creëert een soort ‘handjeklap idee’. Volgens de betrokkene dient de meting goed uitgevoerd te zijn met behulp van acceptabele waarden, zijn die er niet dan kan er niet geverbaliseerd worden. De verklaring van [naam1] kan daarnaast niet dienen als bewijs. Dit proces-verbaal is afgestemd op die van de ambtenaar. Het zijn collega’s van elkaar, althans van dezelfde politieregio. Dit werkt belangenverstrengeling in de hand.
3. Het hof stelt voorop dat in deze procedure slechts ter beoordeling voorligt of er een juiste beslissing is genomen op het beroep. Aan de klacht van de betrokkene over de bejegening door de kantonrechters op de zitting gaat het hof daarom voorbij.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 102.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 98.
Toegestane snelheid 80.
Overschrijding met: 18.
Merk/soort meetmiddel: Truspeed.
Serienummer: TS005305.
Meetafstand: 520,00 m.
Afstand tot rijlijn: 8,00 m.”
6. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 8 november 2019. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:
“Ik heb bij dit proces-verbaal van bevindingen een tekening bijgevoegd. Echter deze tekening is niet op schaal. Ik heb op deze tekening mijn positie aangegeven waar ik stond tijdens de meting. Ook heb ik de plek aangegeven waar ik de betrokkene staande heb gehouden. Mijn positie is dus anders dan de betrokkene in zijn verweer aangeeft.
De afstand van (het hof begrijpt: tot) de rijlijn heb ik gemeten met de lasergun. Ik heb hem op de weg gericht. Vervolgens heb ik een denkbeeldige rijlijn doorgetrokken in de rijrichting van de betrokkene. Ik wil hierbij benadrukken dat het vermelden van de rijlijn geen verplichting meer is.
In de gebruikershandleiding van de LTI 20/20 Truspeed, bladzijde 14, spreekt men over het cosinuseffect. De betrokkene beweert dat er vanuit zijn positie moet worden gemeten. Dit is fout. Er moet worden uitgegaan van de positie van de bedienaar/laser. Er wordt alleen gesproken om de hoek zo klein mogelijk te houden. Als er al in een hoek wordt gemeten, is dit altijd in het voordeel van de betrokkene. Dus de daadwerkelijke snelheid van de betrokkene lag nog hoger dan de gemeten snelheid.”
7. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 14 november 2019 van [naam1] , verkeersspecialist binnen de eenheid Midden-Nederland en docent aan de politieacademie. Hij verklaart het volgende:
“Ik ben het met verweerder (het hof begrijpt: de betrokkene) eens dat de verbalisant zich dient te houden aan het gestelde in de handleiding van de betreffende laser. Dit is geregeld in het Concept Voorschriften Meetmiddelen Politie, waar in hoofdstuk III, onder punt 12.3 ten aanzien van de handleiding staat:
‘De lasersnelheidsmeters moeten zijn voorzien van een handleiding waarin naast de informatie genoemde in 2.7 het volgende moet zijn opgenomen:
- De wijze van opstelling van de lasersnelheidsmeter, waarbij de volgende punten moeten worden belicht:
Eventuele eisen te stellen aan de locatie.
Werkwijze en te gebruiken hulpmiddelen voor het onder de juiste meethoek plaatsen van de lasersnelheidsmeter indien deze onder een meethoek moet worden geplaatst.
Eventuele overige instellingen die verband houden met de meetlocatie.’
Hier wordt duidelijk aangegeven dat de bedienaar rekening dient te houden met het 1:10-verhaal of, zoals dit in de betreffende handleiding is omschreven, het cosinus effect.
In de betreffende handleiding wordt het cosinuseffect omschreven op bladzijde 13 en 14. (….)
Zoals te lezen valt op bladzijde 13, en terecht aangehaald door de verbalisant, dient men rekening te houden met het feit dat een grotere meethoek een lagere gemeten snelheid op zal leveren. Een hoek van 0˚ zal het beste resultaat hebben. Dat wil zeggen dat bij deze hoek de werkelijk gereden snelheid zo dicht mogelijk zal worden benaderd. Het is met een laser onmogelijk om een hogere snelheid te meten dan daadwerkelijk door het gemeten voertuig wordt gereden. De enige voorwaarde om dit te doen is gelegen in het feit dat men de laser niet beweegt en het object wel beweegt. Dan zal er op de laser bij een meting een snelheid in beeld worden gebracht. Met andere woorden, hoe groter de hoek, hoe lager de gemeten snelheid is ten opzichte van de werkelijk gereden snelheid.
Op bladzijde 13 is duidelijk te lezen dat indien de bedienaar niet onder een hoek van 0˚ gaat meten er een hoek ontstaat. Hierdoor is er een hoek tussen de positie van het instrument en de rijrichting van het voertuig. Dit fenomeen noemen we het cosinuseffect. Hieruit blijkt naar mijn mening duidelijk dat de rijlijn / 1:10 vastgesteld dient te worden bij de bedienaar en dus niet bij het te meten voertuig aangezien er dan per voertuig vastgesteld zou moeten worden onder welke hoek het te meten voertuig de bedienaar zal naderen. Dus in alle gevallen waarbij de meethoek tussen de laser en het te meten voertuig meer dan 0˚ is, zal er altijd een lagere snelheid worden gemeten dan de daadwerkelijk gereden snelheid. Met andere woorden er zal altijd in het voordeel van de betrokkene/verdachte worden gemeten.
De door betrokkene [de betrokkene] aangehaalde onacceptabele parameters hebben een relatie met de gemeten snelheid. Door de fabrikant is kennelijk bepaald dat er dan een te grote afwijking zal ontstaan in het voordeel van het gemeten voertuig. Zoals duidelijk te lezen valt op bladzijde 14 in de regel boven de cirkel met het uitroepteken: Vergeet niet dat het cosinuseffect altijd in het voordeel van de bestuurder werkt.
Tenslotte wil ik nog even onder de aandacht brengen het feit dat er in de handleiding geen verplichting staat: alleen dat de bedienaar rekening moet houden met het cosinuseffect. De enige verplichting is dat de bedienaar de hoek tussen het te meten voertuig zo klein mogelijk moet houden. Er wordt in de handleiding hierover aangegeven: Om het cosinuseffect tot een minimum te beperken, moet u de hoek zo klein mogelijk houden. Stel het instrument zo dicht mogelijk langs de weg op zonder de veiligheid in gevaar te brengen en richt op een zodanig afstand op voertuigen dat de hoek zo klein mogelijk blijft.
Zoals overigens terecht is opgemerkt door de verbalisant [naam2] is het opnemen van de rijlijn/ 1:10 in het proces-verbaal geen verplichting meer. Een van de redenen hiervoor is dat de bedienaar hier rekening mee moet houden en dat dit al wordt aangeven in het proces-verbaal: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de metingen geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter” (regels 06, 07 en 08 in het zaakoverzicht).”
8. Het hof ziet geen aanleiding de verklaring van de heer [naam1] niet te betrekken bij de vaststelling van de gedraging. Dat de heer [naam1] en de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd in dezelfde politieregio werken en dat de verklaring van de heer [naam1] een aanvulling is op de verklaring van de ambtenaar, is onvoldoende om aan te nemen dat van belangenverstrengeling sprake zou (kunnen) zijn.
9. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden om eraan te twijfelen dat de meting juist is uitgevoerd. Door middel van vermelding van de afstand tot de rijlijn en de afstand tot het gemeten voertuig in het zaakoverzicht kan de hoek worden bepaald waaronder de meting is verricht en daarmee het cosinuseffect dat optreedt bij snelheidsmetingen met behulp van laserapparatuur. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de afstand tot de rijlijn 8 meter was. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden hieraan te twijfelen. De door de betrokkene gegeven betekenis aan het begrip (afstand tot de) rijlijn is niet juist. De afstand tot de rijlijn betreft de kortste afstand van de laserapparatuur tot de (denkbeeldige) lijn die het te meten voertuig volgt. De hoek tussen deze afstand en de afstand waarop het voertuig gemeten is, is binnen de verhouding 1:10 gebleven. Van onacceptabele waarden is geen sprake. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de meting correct is uitgevoerd. De gedraging is verricht.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.