ECLI:NL:GHARL:2021:1039

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.268.848
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3 lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens hinderlijk parkeren bij ondergrondse afvalcontainer

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €140,- opgelegd wegens het parkeren van zijn voertuig op een wijze die hinder kan veroorzaken voor het overige verkeer, in het bijzonder de gemeentelijke ophaaldienst bij een ondergrondse afvalcontainer in Rotterdam.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, omdat het parkeren het legen van de container door de ophaaldienst bemoeilijkte. De betrokkene voerde aan dat de straat breed genoeg was en de vuilniswagen op andere manieren de container kon legen zonder hinder te veroorzaken.

Het hof oordeelde dat het bestaan van een alternatieve manier om de container te legen niet uitsluit dat hinder kan worden veroorzaakt. De manoeuvre die de vuilniswagen moest maken was ingewikkeld en mogelijk niet uitvoerbaar, waardoor sprake was van hinder. Het hof bevestigde daarom de sanctie en het oordeel van de kantonrechter dat het beroep ongegrond is.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctie van €140,- wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.848/01
CJIB-nummer
: 220829946
Uitspraak d.d.
: 2 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is D.A. van den As, kantoorhoudende te Rotterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van €140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 oktober 2018 om 09:42 uur op de Bijlwerffstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-XX] .
2. De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en de daarin opgenomen overwegingen. De kantonrechter heeft overwogen dat sprake is van hinder, nu ter plaatse op het trottoir een ondergrondse vuilniscontainer is geplaatst, de ophaaldienst hierbij moet kunnen en, indien de ophaaldienst ter plaatse is, in elk geval overig verkeer wordt gehinderd. De betrokkene voert echter aan dat in zijn geheel niet vaststaat dat hinder voor het overige verkeer wordt veroorzaakt. Gelet op de breedte van de straat, de breedte van zijn voertuig en de breedte van het type vrachtauto dat in Rotterdam ondergrondse vuilcontainers leegt, resteert afdoende ruimte voor andere auto’s om de vrachtauto te passeren. Dat het een vrij smalle straat betreft, zoals door de kantonrechter overwogen, is onjuist, nu een straat van ruim zes meter breed naar objectieve maatstaven niet als smal getypeerd kan worden. Bovendien was het voor de chauffeur van de vrachtauto mogelijk om voor het voertuig van de betrokkene te gaan staan en met de grijparm naar achteren te bewegen om op die wijze de vuilcontainer te legen. Van hinder is dan ook op geen enkele wijze sprake.
De betrokkene verwijst voorts nog naar een door hem uitgevoerde berekening waaruit volgt dat het statistisch gezien zeer onwaarschijnlijk is dat overig verkeer wordt gehinderd tijdens het legen van de containers. Uit die berekening volgt dat de kans dat op een willekeurig moment op een doordeweekse dag de vuilniswagen aanwezig is en dat op dat tijdsframe van enkele minuten een auto passeert die door het op het midden van de straat parkeren van de vuilniswagen gehinderd wordt in het voorbijrijden, een kans van 0,72% is. Het betreurt de betrokkene ten slotte dat de kantonrechter heeft overwogen dat hij beschikt over een tekort aan inzicht. De betrokkene merkt hierbij op dat hij heeft opgemerkt dat over een langere periode, door verschillende voertuigen en bestuurders, op dezelfde wijze is geparkeerd. Gelet op de overweging van de kantonrechter dienaangaande beschikt een significant deel van de inwoners van de betreffende wijk niet over voldoende verkeersinzicht, hetgeen de betrokkene onrealistisch voorkomt.
3. De betrokkene verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), dat luidt: "Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd."
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voornoemde voertuig geparkeerd stond, waardoor het verkeer kan worden gehinderd. Ik zag namelijk dat het voornoemde voertuig zodanig geparkeerd stond, waardoor de gemeentelijke ophaaldienst kan worden gehinderd in het legen van de gemeentelijke ondergrondse containers.”
6. Niet in het geding is dat het voertuig van de betrokkene op de onder 1. genoemde datum en tijd en op de aldaar genoemde locatie geparkeerd stond op de rijbaan ter hoogte van een ondergrondse vuilcontainer. De vraag waarvoor het hof zich thans gesteld ziet, is of door die wijze van parkeren het bepaalde in artikel 5 van Pro de WVW 1994 is overtreden. Gelet op de verklaring van de ambtenaar is daartoe van belang dat in de onderhavige zaak komt vast te staan of het verkeer op de weg daarbij kon worden gehinderd.
7. De ambtenaar verklaart dat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze stond geparkeerd dat het verkeer, en dan specifiek de gemeentelijke ophaaldienst, kon worden gehinderd. De betrokkene heeft gedurende de procedure beeldmateriaal in het geding gebracht. Op die foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene met de voorste helft voor een ondergrondse vuilcontainer is geplaatst. Vast staat in elk geval dat door de wijze waarop het voertuig van de betrokkene is geplaatst het voor de ophaaldienst niet mogelijk is om recht voor de ondergrondse vuilcontainer te gaan staan.
8. Het verweer van de betrokkene komt er in de kern op neer dat de vuilniswagen zonder daarbij het overige verkeer te belemmeren naast, dan wel voor, het voertuig van de betrokkene had kunnen gaan staan, waarbij het op beide manieren mogelijk is de ondergrondse vuilcontainer te ledigen. Het hof begrijpt het verweer van de betrokkene aldus dat, nu de container ook op andere wijze kon worden geleegd, er geen sprake kan zijn van het veroorzaken van hinder voor de ophaaldienst.
9. Het hof volgt de betrokkene daarin niet en is van oordeel dat wel degelijk sprake is van het kunnen veroorzaken van hinder. Het hof overweegt daartoe dat in de onderhavige zaak de hinder daarin bestaat dat de gemeentelijke ophaaldienst zijn werk niet op de normale wijze en ongestoord kan uitvoeren. De chauffeur van de vuilniswagen had in de onderhavige omstandigheden een ingewikkelde manoeuvre moeten uitvoeren om alsnog de ondergrondse vuilcontainer te kunnen ledigen, nog daargelaten of die manoeuvre überhaupt mogelijk was geweest op het betreffende moment. Het bestaan van een andere manier om de werkzaamheden alsnog te kunnen uitvoeren, maakt - wat daar verder ook van zij - aldus niet dat geen sprake kan zijn van hinder. Het verweer van de betrokkene faalt. Gelet op het voorgaande staat vast dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht.
10. Nu reeds vaststaat dat sprake is van het kunnen veroorzaken van hinder voor de gemeentelijke ophaaldienst, is niet van belang of daarnaast sprake was van (kans op) hinder voor het overig verkeer. Het verweer van de betrokkene dienaangaande behoeft dan ook geen bespreking.
11. Het hof constateert ten slotte nog dat de kantonrechter in rechtsoverweging 2.6 het volgende heeft overwogen: “Op plaatsen waar het om die reden niet toegestaan is te parkeren, wordt er van uitgegaan dat de bestuurder over voldoende inzicht beschikt om dat in te zien.” Deze overweging moet in het licht worden bezien van wat de kantonrechter (verder) heeft overwogen aangaande de stelling van de betrokkene dat ter plaatse geen parkeerverbod is aangegeven. De kantonrechter overweegt dienaangaande terecht dat het in de onderhavige zaak gaat om overtreding van het bepaalde in artikel 5 van Pro de WVW 1994 en dat daarbij niet van belang is of een (specifiek) parkeerverbod gold. Dat er meerdere weggebruikers hun voertuig parkeren op dezelfde wijze als de betrokkene heeft gedaan ten tijde van de gedraging, maakt dit niet anders en vrijwaart de betrokkene niet van het opleggen van een sanctie.
12. Voorgaande betekent dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep ongegrond te verklaren en dat die beslissing zal worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.