Broer en zus zijn de enige erfgenamen van hun ouders, waarvan de moeder in 2020 overleed zonder testament. Tot de nalatenschap behoort de ouderlijke woning waar de zus nog woont. De broer heeft in kort geding een machtiging verkregen om de woning te verkopen, met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring vanwege zijn spoedeisend belang.
De zus verzoekt in hoger beroep om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat het vonnis onvoldoende is gemotiveerd en dat haar belang bij het behoud van de woning zwaarder weegt. De broer betwist dit en wijst op zijn leeftijd, gezondheid en de slechte staat van de woning, wat risico's met zich meebrengt.
Het hof oordeelt dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring voldoende gemotiveerd is en dat een schorsingsverzoek alleen kan slagen bij nieuwe feiten, een kennelijke misslag of noodtoestand. Geen van deze zijn door de zus aangevoerd, zodat het verzoek wordt afgewezen. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de einduitspraak en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.