ECLI:NL:GHARL:2021:10492

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.287.797/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor negeren rood verkeerslicht ondanks betwisting tijdstip en locatie

De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor het negeren van een rood verkeerslicht op 19 december 2019 om 09:27 uur op de Stadhouderskade in Amsterdam. De betrokkene voerde aan dat het tijdstip onjuist was, onderbouwd met gps-rittenstaten die aantonen dat het voertuig op dat moment geparkeerd stond. Tevens werd aangevoerd dat de locatieomschrijving onvoldoende specifiek was, aangezien zes verkeerslichten aan de Stadhouderskade passeerden en niet duidelijk was welk verkeerslicht genegeerd was.

Het hof oordeelde dat het tijdstip in de beschikking slechts indicatief is en dat geen bewijs is geleverd dat de tijdsaanduiding onjuist of schadelijk was voor de verdediging. De staandehouding bood de betrokkene de mogelijkheid om opheldering te vragen over de exacte locatie, wat niet is gedaan. De waarneming van de ambtenaar dat het rode licht ongeveer twee seconden brandde toen de betrokkene het negeerde, werd niet betwijfeld door het hof.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard tegen de beslissing van de officier van justitie, maar het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het hof bevestigt deze beslissing en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af, mede gelet op eerdere arresten waarin geen aanleiding was voor vergoeding bij soortgelijke omstandigheden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor het negeren van het rode verkeerslicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.287.797/01
CJIB-nummer
: 230646421
Uitspraak d.d.
: 11 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is R. Brasser, kantoorhoudende te Drachten.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 26 oktober en 27 oktober 2021 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene binnengekomen. Deze zijn in kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 oktober 2021. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 december 2019 om 09:27 uur op de Stadhouderskade in Amsterdam met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het onmogelijk is dat de betrokkene om 9:27 uur het rode verkeerslicht heeft genegeerd. De gemachtigde verwijst hierbij naar de door hem overgelegde stukken waaruit zou blijken dat het voertuig van de betrokkene om 9:25:40 uur geparkeerd stond aan de Stadhouderskade ter hoogte van nummer 79 en de betrokkene om 9:30:53 uur zijn weg heeft vervolgd. Naar aanleiding van het verweerschrift van de advocaat-generaal stelt de gemachtigde dat het exacte tijdstip van belang is, zeker nu in Wahv-zaken het aan de betrokkene is om zijn onschuld aan te tonen. De inleidende beschikking bevat niet de tekst dat het tijdstip op of omstreeks is, maar vermeldt een (hard) tijdstip. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene zes verkeerslichten aan de Stadhouderskade is gepasseerd voordat hij ter hoogte van nummer 79 is staandegehouden. Uit de inleidende beschikking noch uit het zaakoverzicht blijkt welk van deze zes verkeerslichten de betrokkene zou hebben genegeerd. De omschrijving van de pleeglocatie is daarmee onvoldoende specifiek. De betrokkene is hiermee in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Het is niet opportuun nu nog een aanvullend proces-verbaal op te vragen. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de waarneming van de ambtenaar zo onaannemelijk is dat de inleidende beschikking ook daarom niet in stand kan blijven. Op een donderdagmorgen voor kerst in het centrum van Amsterdam na 2 seconden door het rode licht rijden staat gelijk aan een aanrijding. De betrokkene, die onder andere als persoonsbeveiliger werkt, heeft de politiemotor pas opgemerkt vlak voor de staandehouding. De betrokkene is door zijn werk zeer alert op wat er voor en achter hem gebeurt in het verkeer en betwijfelt of de ambtenaar überhaupt wel goed zicht heeft gehad op de situatie betreffende de vermeende gedraging.
3. De gemachtigde heeft twee gps-rittenstaten overgelegd. Uit de eerste rittenstaat blijkt dat met het voertuig van de betrokkene op 19 december 2019 van 9:13:30 tot 9:25:40 uur is gereden van de Tweede Hugo de Grootstraat 24 te Amsterdam naar de Stadhouderskade 79 te Amsterdam. Uit de tweede rittenstaat blijkt dat met het voertuig van de betrokkene van 9:30:53 tot 9:44:43 uur is gereden van de Stadhouderskade 79 te Amsterdam naar de Ellermanstraat 12 te Duivendrecht.
4. Dat het tijdstip van de gedraging niet overeenkomt met de overgelegde rittenstaten, vormt geen aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen. Het hof merkt allereerst op dat geen gegevens zijn overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat het voertuig om 9.27 uur stil stond. Maar ook al zou dit moeten worden aangenomen, dan nog vormt dit geen aanleiding voor het oordeel dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Niet is gebleken dat de klokken van de betrokkene en de ambtenaar zijn geijkt en volledig synchroon liepen. Uit de stukken die de gemachtigde heeft overgelegd blijkt juist dat de betrokkene rond het tijdstip van de gedraging op de Stadhouderskade in Amsterdam heeft gereden. Anders dan de gemachtigde meent, is het hof van oordeel dat het weergegeven tijdstip slechts bedoeld is om de betrokkene te kunnen laten nagaan wanneer de gedraging ongeveer is verricht. Dat kan daarom enigszins afwijken van het werkelijke tijdstip waarop de gedraging is verricht. Niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene, die ter plaatse is staandegehouden, door een (eventueel) niet geheel correcte tijdsaanduiding in zijn belangen is geschaad.
5. Dat uit het dossier niet blijkt welk van de zes verkeerslichten aan de Stadhouderskade de betrokkene heeft genegeerd, vormt evenmin aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen. De betrokkene is staandegehouden. Staandehouding maakt het mogelijk -en is daartoe ook mede bedoeld- dat de bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging zou zijn verricht, aan de ambtenaar opheldering vraagt over wat hem precies wordt verweten, in het bijzonder welke gedraging op welke locatie zou zijn verricht. Het vragen van deze opheldering betreft, anders dan de gemachtigde kennelijk meent, geen aantasting van het zwijgrecht. De betrokkene heeft bij de staandehouding de ambtenaar niet gevraagd naar de exacte locatie van de gedraging. Het is het hof verder niet gebleken dat het voor het formuleren van de bezwaren tegen de opgelegde sanctie van belang is geweest dat de betrokkene bekend was met de exacte locatie van de gedraging. Dat de betrokkene in zijn verdedigingsbelangen is geschaad, is niet gebleken.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.”
8. Het hof ziet geen reden eraan te twijfelen dat de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd terwijl het rood licht uitstraalde. De stelling van gemachtigde dat het op een donderdagmorgen voor kerst in het centrum van Amsterdam na 2 seconden het verkeerslicht passeren terwijl het rood licht uitstraalt, gelijk staat aan een aanrijding is niet meer dan een ontkenning van de gedraging. Dit is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Dat geldt ook voor de stelling dat de betrokkene door zijn werk zeer alert is op wat er voor en achter hem gebeurt in het verkeer en betwijfelt of de ambtenaar überhaupt wel goed zicht heeft gehad op de situatie. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. De gemachtigde voert tot slot aan dat de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding ten onrechte heeft afgewezen.
10. Gelet op de arresten van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786), is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft de betrokkene niet in het gelijk gesteld in de zin van die arresten. De kantonrechter heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding terecht afgewezen.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.