ECLI:NL:GHARL:2021:10498

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.293.681/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing geen reële mogelijkheid tot staandehouding

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor het niet stoppen voor rood licht op 8 juni 2020 in Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigt deze beslissing in hoger beroep.

De betrokkene stelde dat de ambtenaar onvoldoende concreet had gemaakt waarom staandehouding niet mogelijk was. De ambtenaar verklaarde slechts dat hij met een bijzonder onderzoek bezig was dat voorrang genoot, zonder nadere toelichting op de aard van het onderzoek of waarom staandehouding onmogelijk was.

Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de bestuurder worden staande gehouden om de identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid was. Het hof oordeelt dat de enkele mededeling van prioriteit onvoldoende is om te concluderen dat staandehouding niet mogelijk was. Daarom wordt de sanctiebeschikking vernietigd.

Daarnaast veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €1.896,50, wegens de procedure in administratief en hoger beroep.

Het arrest is uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 november 2021.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.293.681/01
CJIB-nummer
: 234090636
Uitspraak d.d.
: 11 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 oktober 2021. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen [naam1] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam2] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juni 2020 om 12:28 uur op de Burgemeester Roëlstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de uit het zaakoverzicht voldoende concreet dient te blijken waarom er geen reële mogelijkheid tot staandehouden van de bestuurder bestond. In dit geval is daarvan geen sprake. De ambtenaar verklaart enkel dat staandehouding niet mogelijk was omdat de ambtenaar met andere werkzaamheden was belast. Uit de verklaring blijkt niet naar wat voor onderzoek de ambtenaren onderweg waren en waarom die melding hogere prioriteit had. Ook wordt niet duidelijk of het voertuig voorzien was van stopmiddelen. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt niet dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staandehouden. Gezien de schending van artikel 5 van Pro de Wahv dient de inleidende beschikking vernietigd te worden.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. In het zaakoverzicht is als reden voor het niet staandehouden van de bestuurder vermeld dat de rapporteur in burger gekleed was en met een medewerker van het team handhaving openbare ruimte op weg naar een onderzoek was. In het aanvullend proces-verbaal van 10 augustus 2021 verklaart de ambtenaar hierover het volgende:
“Rapporteur was zoals reeds benoemd belast met een bijzonder onderzoek en gezien het onderzoeksbelang voorrang genoot, heeft rapporteur de bestuurder van genoemd motorvoertuig niet staandehouden om deze te verbaliseren.”
5. Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van de ambtenaar onvoldoende blijkt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was. De ambtenaar geeft geen inzicht in de aard van het onderzoek waar hij mee belast was. Ook geeft de ambtenaar niet aan waarom een staandehouding aan dit onderzoek in de weg zou staan. Andere redenen waarom staandehouding niet mogelijk was worden door de ambtenaar niet aangevoerd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de ambtenaar de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder heeft opgelegd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 5 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.896,50 ((1,5 x € 534,- x 0,5) + (4 x € 748,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.896,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.