Deze zaak betreft de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2018. De ouders waren sinds juli 2019 gezamenlijk gezagdragers, nadat Jeugdbescherming eerder als voogd was aangesteld vanwege de minderjarigheid van de moeder. De minderjarige is sinds april 2019 uit huis geplaatst en woont in een pleeggezin. De rechtbank Overijssel heeft op 12 maart 2020 het gezag van beide ouders beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind en het onvermogen van de ouders om voor het kind te zorgen.
De vader stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en verzocht het gezag te herstellen. De moeder stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met het verzoek dat, indien het gezag niet wordt hersteld, het in ieder geval niet aan de vader alleen wordt toegekend maar gezamenlijk blijft. De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming wilden dat het gezag beëindigd blijft.
Het hof heeft het dossier bestudeerd en op 24 november 2020 een zitting gehouden waarbij beide ouders en hun advocaten aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van de Raad en Jeugdbescherming. Het hof bevestigt de gronden van de rechtbank en voegt daaraan toe dat de ouders niet in staat zijn om omgangsafspraken na te komen, mede door problemen zoals drugsgebruik, alcoholmisbruik, geweld, bedreigingen, psychische en financiële problemen. De omgang met de minderjarige is minimaal en het kind raakt de ouders minder goed herkenbaar. Dit alles leidt tot de conclusie dat het gezag moet worden beëindigd.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst de verzoeken van de ouders af om het gezag te herstellen of aan één ouder toe te kennen. De beslissing is op 7 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.