ECLI:NL:GHARL:2021:10511

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
200.298.123
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 JeugdwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over een minderjarige geboren in 2016. De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI) en verleende meerdere machtigingen tot uithuisplaatsing vanwege zorgen over de verzorging en opvoeding.

De moeder stelde twee grieven in hoger beroep: een procedurele klacht over het ontbreken van mogelijkheid tot verweer bij de kinderrechter en een inhoudelijke klacht over de rechtmatigheid van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof oordeelde dat de moeder alsnog gelegenheid had gekregen haar standpunt mondeling toe te lichten, waardoor de eerste grief faalde.

Ten aanzien van de tweede grief stelde het hof vast dat de GI geen toegang kreeg tot de woning en geen informatie kon verkrijgen over de situatie van de minderjarige, mede doordat de moeder medewerking weigerde en het contact tussen vader en kind belemmerde. Hierdoor was de uithuisplaatsing noodzakelijk om de veiligheid en continuïteit van de verzorging te waarborgen.

Het hof concludeerde dat de machtiging terecht was verleend en dat de grieven van de moeder ongegrond zijn. De beschikking van de kinderrechter wordt dan ook bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige en wijst de grieven van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.298.123
(zaaknummer rechtbank Gelderland 387887)
beschikking van 11 november 2021
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.B. Sikkens te Hattem,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Apeldoorn,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, (verder: de kinderrechter) van 14 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 juli 2021;
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad), ingekomen op
13 augustus 2021, waarbij de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een verweerschrift van de GI, ingekomen op 27 augustus 2021.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 oktober 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam1] en [naam2] namens de GI;
- de vader.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep dat de moeder heeft ingediend tegen de onder 3.4 genoemde beslissing van 2 juli 2021 (zaaknummer 200.300.012). Op dat hoger beroep is eveneens heden beslist.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ). De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 12 september 2017 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur een jaar, welke termijn voor het laatst is verlengd bij beschikking van 2 juli 2021 tot 16 juli 2022.
3.3
Bij de bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 14 mei 2021 tot 16 juli 2021.
3.4
Bij beschikking van 2 juli 2021 heeft de kinderrechter een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (pleeggezin via [naam3] ), daarop aansluitend voor een plaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (observatie en diagnostiek) en vervolgens weer voor plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (pleeggezin via [naam3] ) voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 16 juli 2022.
3.5
[de minderjarige] is op 17 juni 2021 uithuisgeplaatst. Na in twee pleeggezinnen te zijn verbleven, verblijft [de minderjarige] nu in een gespecialiseerde instelling met de uitstraling van een gezinshuis ( [naam4] ).

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de procedure bij de kinderrechter en de tweede grief ziet op de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen dan wel nietig te verklaren en opnieuw beschikkende de GI niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen althans haar verzoek af te wijzen. Kosten rechtens.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking.
4.3
Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof overweegt ten aanzien van de eerste grief van de moeder dat het hoger beroep er mede toe dient omissies te herstellen die in eerste aanleg zijn begaan. Zo al sprake is van een omissie omdat de moeder niet de gelegenheid heeft gehad bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn en verweer te voeren tegen het verzoek tot uithuisplaatsing omdat de zitting op heel korte termijn werd gepland en de oproep haar nog niet had bereikt, is deze omissie hersteld nu zij in staat is gesteld haar standpunt in hoger beroep (mondeling) te geven en toe te lichten. Grief 1 faalt daarom.
5.2
Het hof stelt voorop dat de periode waarvoor de machtiging is verleend op 16 juli 2021 is verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de
rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 14 mei 2021 tot 16 juli 2021 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken. Het hof zal ten aanzien van grief 2 van de moeder daarom beoordelen of de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing op goede gronden heeft verstrekt.
5.3
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4
Het hof is van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] terecht is verleend. Zowel uit de stukken als uit wat op de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat er ondanks de ondertoezichtstelling geen zicht kwam op de situatie van [de minderjarige] . De GI mocht [de minderjarige] niet thuis bezoeken: iedere toegang tot de woning van de moeder en [de minderjarige] werd door de moeder aan de GI ontzegd. Er was geen informatie beschikbaar via school, de huisarts of het consultatiebureau. Ook informatie over (de behandeling van) een mogelijke erfelijke oogafwijking was niet beschikbaar. Die informatie kwam niet beschikbaar voor de GI doordat de moeder iedere medewerking aan die informatieverstrekking weigerde. Daarnaast onthield de moeder het contact tussen de vader en [de minderjarige] . De GI heeft gedurende de ondertoezichtstelling geen enkel zicht gekregen op de ontwikkeling van [de minderjarige] omdat de moeder niet bereikbaar was. Omdat geen enkele communicatie mogelijk was en er zorgen waren over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , is om de ingrijpende maatregel van een machtiging uithuisplaatsing verzocht. Een andere plaatsing of maatregel, zoals de moeder aanvoert, was bij gebrek aan ieder contact niet mogelijk.
De GI heeft de moeder nog wel gewaarschuwd dat een uithuisplaatsing de volgende stap zou zijn als de moeder en [de minderjarige] voor de GI onbereikbaar zouden blijven. Op de mondelinge behandeling heeft de gezinsvoogd onweersproken verklaard dat hij aan de moeder heeft verteld dat door de GI om een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] was verzocht. Ook is een wandelgesprek geweest met de gezinsvoogd en de moeder om de situatie te bespreken. Een vervolggesprek heeft niet meer plaatsgevonden omdat de moeder verder contact weigerde. [de minderjarige] is daarom op basis van een spoedverzoek door de GI op 17 juni 2021 uithuisgeplaatst.
Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte machtiging uithuisplaatsing de continuïteit van en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet zouden zijn gewaarborgd en vindt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was. Grief 2 faalt.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 14 mei 2021.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 11 november 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.