ECLI:NL:GHARL:2021:10529

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.284.891/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 WAMArt. 9 WahvArt. 11 WahvArt. 34 WAM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie voor onverzekerd voertuig na tijdige betaling premie

De betrokkene werd bij een registercontrole op 19 maart 2019 geconstateerd met een onverzekerd voertuig en kreeg een sanctie van €400 opgelegd. De betrokkene voerde aan dat zijn verzekering door een betalingsachterstand in januari was stopgezet, maar dat deze op 17 maart 2019, vóór de controle, was hervat. Hij overlegde betalingsbewijzen en e-mailcorrespondentie met de verzekeraar.

De rechtbank verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het gerechtshof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat de betrokkene direct na kennisgeving van de onverzekerdheid op 14 maart 2019 actie ondernam en op 16 maart 2019 de premie betaalde, waarna de verzekering volgens de verzekeraar op 17 maart 2019 weer zou ingaan. Uit het dossier bleek echter dat de verzekering pas op 20 maart 2019 daadwerkelijk was hervat.

Het hof vond het onbillijk om de volledige sanctie aan de betrokkene toe te rekenen gezien zijn tijdige betaling en actie. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de kantonrechter, verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en matigde de sanctie naar €100. Tevens werd een teveel gestorte zekerheid gerestitueerd.

Uitkomst: De sanctie voor het rijden met een onverzekerd voertuig is gematigd van €400 naar €100 vanwege tijdige betaling en directe actie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.284.891/01
CJIB-nummer
: 225958644
Uitspraak d.d.
: 12 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 19 maart 2019 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene stelt dat hij op de pleegdatum van 19 maart 2019 wel was verzekerd. Hij voert daartoe aan dat zijn autoverzekering bij [naam1] in februari was stopgezet vanwege een achterstand in de premiebetaling over januari, die via automatische incasso werd geïnd, maar dat deze met ingang van 17 maart 2019, dus vóór de pleegdatum, weer was hervat. De betrokkene wijst hierbij op de door hem overgelegde emailberichten van [naam1] , een screenshot van een betalingsbevestiging en bankafschriften. Voorts voert de betrokkene aan dat er blijkbaar administratief iets niet goed is gegaan bij de [naam1] , terwijl hij aan al zijn verplichtingen had voldaan en dat op zijn minst een lagere straf had moeten worden opgelegd.
3. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet dient af te sluiten en in stand houden.
4. De gedraging is vastgesteld door middel van een registercontrole. Het dossier bevat twee uitdraaien uit het kentekenregister van 11 februari 2020, één met peildatum 19 maart 2019 en één met peildatum 19 september 2019. Uit deze uitdraaien blijkt dat het voertuig van de betrokkene op (de pleegdatum van) 19 maart 2019 niet was verzekerd. De advocaat-generaal heeft de betrokkene in het verweerschrift nog in overweging gegeven om een verklaring zoals bedoeld in artikel 34 van Pro de WAM over te leggen, maar de betrokkene is daar niet op in gegaan. Gelet hierop ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens en staat vast dat de gedraging is verricht.
5. Gelet op het gevoerde verweer dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en waarin hij verkeert, van dien aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel aanleiding geven de sanctie te matigen (vgl. artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv).
6. Het hof stelt voorop dat er op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht een zorgplicht voor kentekenhouders bestaat om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. Tot die zorgplicht behoort ook dat wordt voldaan aan de uit het verzekeringscontract voortvloeiende verplichtingen, zoals de volledige en tijdige betaling van de premie. De betrokkene heeft de premie over januari 2019 niet tijdig voldaan en daardoor het risico in het leven geroepen dat de verzekering zou eindigen dan wel dat er strubbelingen zouden ontstaan bij de hervatting daarvan. De gevolgen daarvan komen in beginsel voor rekening van de betrokkene.
7. Het hof acht echter in dit specifieke geval omstandigheden aanwezig die aanleiding geven tot matiging van het bedrag van de sanctie. Het hof stelt daartoe vast dat de betrokkene, zoals hij onweersproken heeft gesteld, in de avond van 14 maart 2019 door de politie ervan in kennis is gesteld dat zijn voertuig niet was verzekerd en dat hij meteen de volgende ochtend, op 15 maart 2019, per e-mail navraag heeft gedaan bij zijn verzekeraar, te weten de [naam1] . Vervolgens heeft de [naam1] de betrokkene bij mail van 16 maart 2019 geantwoord dat de premie over de maand januari 2019 nog openstond en dat de auto van de betrokkene weer verzekerd zou zijn op de dag nadat zijn betaling van de premie over de maand januari 2019 is ontvangen. Uit de door de betrokkene overgelegde stukken blijkt dat de premie over de maand januari 2019 op 16 maart 2019 is betaald. Het hof stelt derhalve vast dat op 16 maart 2019 was voldaan aan de door de [naam1] gestelde voorwaarde, zodat de verzekering, overeenkomstig de toezegging van [naam1] , op 17 maart 2019 zou moeten zijn hervat. Uit het dossier, namelijk het zogeheten BCS portaal, blijkt evenwel dat het voertuig van de betrokkene eerst met ingang van 20 maart 2019 weer was verzekerd. Nu de betrokkene direct nadat hem bekend was geworden dat zijn voertuig niet was verzekerd actie heeft ondernomen en hij tijdig heeft voldaan aan de door [naam1] gestelde voorwaarden om de verzekering vóór de pleegdatum te doen hervatten, acht het hof het niet billijk om de nadelige gevolgen van het niet verzekerd zijn op 20 maart 2019 geheel voor rekening van de betrokkene te laten komen.
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen, het beroep gedeeltelijk gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre wijzigen dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 100,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 100,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld, voor zover dit meer is dan € 109,- (namelijk €100,- voor de gematigde sanctie plus € 9,- voor de administratiekosten) door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.