Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 november 2021 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter te Groningen. Verdachte werd beschuldigd van diefstal in vereniging van een jas bij een winkelier op 29 oktober 2018. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander de jas heeft weggenomen met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen.
De politierechter had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof vernietigde dit vonnis om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht. Gelet op de ernst van het feit, de recidive van verdachte en het feit dat de diefstal samen met haar minderjarige dochter werd gepleegd, achtte het hof een gevangenisstraf passend. Echter, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een hoge belastingschuld en haar inspanningen om haar leven te verbeteren, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken op met een proeftijd van 2 jaar.
Het hof constateerde tevens een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waarbij de termijn met ruim 7 maanden werd overschreden. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. O. Anjewierden, mr. A. Meester en mr. J.S. van Duurling, waarbij laatstgenoemde niet kon ondertekenen.