Deze zaak betreft de verlenging van de uithuisplaatsing van een minderjarig kind, geboren in 2020, waarbij de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De kinderrechter had reeds besloten tot verlenging van de uithuisplaatsing tot 2 april 2022, omdat de ouders niet in staat zijn adequaat voor het kind te zorgen. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing en stelden dat het kind bij hen of bij de grootmoeder van vaderszijde zou moeten worden geplaatst.
Het hof heeft uitgebreid gekeken naar de persoonlijke en neuropsychiatrische problematiek van de moeder, die onder meer hersenletsel, ADHD en emotionele regulatieproblemen heeft. Deze problematiek maakt dat zij niet in staat is om de benodigde structuur, aandacht en veiligheid te bieden aan het kind. De vader heeft geen inzicht gegeven in zijn functioneren en vertoont passiviteit en beïnvloedbaarheid, terwijl er sprake is van een hechte maar conflictueuze relatie tussen de ouders, met meldingen van huiselijk geweld.
Het hof oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor de verzorging en opvoeding van het kind en dat het belang en de veiligheid van het kind voorop staan. Het pleeggezin biedt een stabiele en veilige omgeving waarin het kind zich goed ontwikkelt. De wens van de ouders om het kind bij de grootmoeder te plaatsen wordt afgewezen vanwege de problematiek van de ouders en de onmogelijkheid voor de grootmoeder om als pleegouder te fungeren.
Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de kinderrechter en wijst het beroep van de ouders af, waarmee de verlenging van de uithuisplaatsing tot 2 april 2022 wordt gehandhaafd.