De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “mistlicht voeren aan voorzijde anders dan bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 december 2018 om 10:25 uur op de Langeweg in Zwijndrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene kan zich niet vinden in de beslissing van de kantonrechter en vraagt zich af waarom er geen waarschuwing kon worden gegeven. Daarnaast voert de betrokkene aan dat er twee onwaarheden in het zaakoverzicht staan. Ten eerste staat er dat in het lampenglas een letter B stond. Volgens de betrokkene heeft de ambtenaar hier niet naar gekeken en staat deze letter ook niet in zijn lampen, waardoor er geen sprake is van mistlichten. Ter onderbouwing heeft de betrokkene foto’s overgelegd van de voorste lampen van zijn voertuig. Ten tweede staat er in het zaakoverzicht dat de cautie is verleend, maar dit is volgens de betrokkene niet gebeurd. Hij vindt het respectloos dat de aanvulling die door de kantonrechter aan de ambtenaar is gevraagd buiten de termijn is aangeleverd.
Doordat de aanvulling te laat is binnen gekomen werd deze door de kantonrechter niet meegenomen, waardoor volgens de betrokkene alleen zijn verklaring omtrent de cautie overeind blijft. Het bevreemdt de betrokkene dat een andere kantonrechter hem nu veroordeelt zonder zich uit te laten over de cautie, terwijl de eerste kantonrechter een aanvulling opvraagt. De betrokkene wil graag het oordeel van de eerste kantonrechter horen. Ten slotte merkt de betrokkene nog op dat hij nooit heeft toegegeven de overtreding te hebben verricht. Hij betwist de overtreding en merkt op dat hij geen mistlichten aan de voorkant van zijn voertuig heeft.
3. Voor zover de betrokkene stelt dat het niet is toegestaan dat de einduitspraak d.d. 7 mei 2020 door een andere kantonrechter is gedaan dan de kantonrechter die de tussenuitspraak d.d. 6 februari 2020 heeft gedaan, overweegt het hof het volgende. Geen rechtsregel schrijft voor dat de kantonrechter die de einduitspraak geeft, ook betrokken moet zijn geweest bij een, daaraan vooraf gegeven, tussenuitspraak (vgl. het arrest van dit hof van 24 oktober 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:GHARL:2019:8947). Dat kan echter alleen wanneer de kantonrechter die einduitspraak doet, ook zelf de zaak ter zitting heeft behandeld. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. Nadat de zaak is aangehouden heeft er, zo volgt uit het dossier, geen zitting plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. De overige tegen deze beslissing aangevoerde gronden behoeven dan ook geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. 4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat betrokkene als bestuurder van dit voertuig aan de voorzijde van zijn voertuig mistlichten voerde, anders dan bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmerde. Door mij werd vastgesteld dat het lampenglas van deze lichten gemerkt was met de letter B (brouillard = mist). Omschrijving weersomstandigheden: twee brandende mistlichten voorzijde gevoerd in combinatie met dimlichten. Weer: droog en helder en dag. Zicht was 7 km. (…)”
6. In hoger beroep is daarnaast een aanvullend proces-verbaal d.d. 16 oktober 2021 overgelegd. In dit stuk schrijft de ambtenaar die de gedraging mede heeft geconstateerd dat hij dit specifieke geval niet meer kan herinneren en omschrijft hij hoe hij normaal te werk gaat wanneer hij een gedraging als deze constateert.
7. Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaring van de ambtenaar dat hij, op het moment waarop hij het voertuig van de betrokkene zag rijden, reeds zag dat er aan de voorzijde van het voertuig vier lampen brandden (de mist- en dimlichten). Bij de controle van het voertuig stelde hij, zo begrijpt het hof, vervolgens vast dat in de lamp de letter B stond. Anders dan de betrokkene kennelijk meent heeft de ambtenaar de constatering dat de mistlampen aanstonden niet (slechts) gebaseerd op de omstandigheid dat hij in de lamp de letter B heeft waargenomen. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de gedraging is verricht. Dat de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal verklaart zich de situatie niet meer te kunnen herinneren, maakt op zichzelf niet dat getwijfeld dient te worden aan diens waarneming. Ook de foto’s waaruit moet blijken dat er geen letter B in de koplampen staat, leiden niet tot die twijfel, nu de juistheid van die stelling niet aan de hand van die foto’s, die van een afstand zijn genomen en onscherp zijn, kan worden vastgesteld.
8. Met betrekking tot de klacht dat de cautie niet is verleend, merkt het hof op dat de verklaring van de betrokkene niet wordt gebruikt bij de vaststelling dat de gedraging is verricht. Daarbij merkt het hof op dat gelet op de inhoud van het ambtsedig proces-verbaal van 9 april 2020 het ervoor moet worden gehouden dat de cautie wel is verleend.
9. Voor het overige komt het betoog van de betrokkene neer op de enkele ontkenning dat de gedraging is verricht. Die enkele ontkenning is onvoldoende om het hof te doen twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar. De gedraging kan daarom worden vastgesteld. De stelling van de betrokkene dat hij niet zelf maar dat, zoals hij eerder in de procedure heeft betoogd, zijn kleinkinderen de knop voor de mistlichten hebben aangezet, maakt dat niet anders want de betrokkene wordt immers verweten dat hij mistlichten voerde.
10. Met betrekking tot het verweer dat hier ook met een waarschuwing had kunnen worden volstaan overweegt het hof dat de ambtenaar die een gedraging heeft geconstateerd een discretionaire bevoegdheid heeft om daarvoor een sanctie op te leggen. De wijze waarop hij van deze bevoegdheid gebruik maakt kan slechts terughoudend door het hof worden getoetst. Voor het oordeel dat de ambtenaar, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot oplegging van een sanctie heeft kunnen besluiten, heeft het hof geen aanknopingspunten kunnen vinden.
11. Het hof overweegt ten slotte dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden geen aanleiding geven om de sanctie te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene zelf aan de stand van de draaiknop op het dashboard had kunnen zien dat hij mistlichten voerde. Dat hij dit door zijn positie achter het stuur niet goed heeft kunnen zien, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen.
12. Het hof wil verder nog opmerken dat het niet mogelijk is om onderhavige zaak opnieuw door de (eerste) kantonrechter te laten beoordelen.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.