ECLI:NL:GHARL:2021:10679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
21-003636-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep openlijke geweldpleging en poging tot diefstal met braak verworpen beroep vrijwillige terugtred

De verdachte stond in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter wegens openlijke geweldpleging en poging tot diefstal met braak. Het hof bevestigde de bewezenverklaring dat verdachte samen met een ander openlijk geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer, waarbij lichamelijk letsel werd toegebracht. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk een slot van een appartementencomplex heeft geforceerd met het oogmerk goederen te stelen.

De verdediging voerde aan dat sprake was van vrijwillige terugtred bij de poging tot diefstal, omdat verdachte zou zijn gestopt zonder externe aanleiding. Het hof oordeelde echter dat dit niet aannemelijk was, mede gelet op getuigenverklaringen en het feit dat verdachte gereedschap bij zich had en het slot onbruikbaar maakte. Het beroep op vrijwillige terugtred werd daarom verworpen.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de strafoplegging betrof en legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op met een proeftijd van twee jaar, alsmede een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en het ontbreken van eerdere veroordelingen. De straf dient tevens als preventie voor toekomstige delicten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met proeftijd en een taakstraf van 140 uur wegens openlijke geweldpleging en poging tot diefstal met braak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003636-19
Uitspraak d.d.: 8 november 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-117983-18 en 18-169455-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
- bevestiging van het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring, met aanvulling voor zover het gaat om het beroep op vrijwillige terugtred,
- vernietiging van het vonnis ten aanzien van de straf, en
- veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 5 juli 2019 ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door
de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (parketnummer 18-117983-18) en poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (parketnummer 18-169455-18),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-117983-18:
hij op of omstreeks 12 maart 2018 te [plaats] met een ander, op of aan de openbare weg, de [adres1] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam1] , welk geweld bestond uit het een of meermalen
- slaan tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam en/of
- terwijl [naam1] op de grond lag, hem slaan en/of schoppen tegen zijn hoofd en/of lichaam,
en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (bult/blauwe plek aan linkerkant voorhoofd en een wond aan de binnenkant van de bovenlip) voor [naam1] ten gevolge heeft gehad.
Zaak met parketnummer 18-169455-18:
hij op of omstreeks 23 juli 2018, in de gemeente [plaats] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening
in/uit een woning onderdeel uitmakend van een appartementencomplex gelegen aan de [adres2] weg te nemen een of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte
en zich daarbij de toegang tot die woning en/of dat appartementencomplex te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, zich naar dat appartementencomplex heeft begeven en/of het slot van de toegangsdeur van dat appartementencomplex heeft opengebroken/geforceerd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-117983-18 en in de zaak met parketnummer 18-169455-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 18-117983-18:
hij op 12 maart 2018 te [plaats] met een ander, aan de openbare weg, de [adres1] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam1] , welk geweld bestond uit het een of meermalen
- slaan tegen het hoofd en gezicht en het lichaam, en
- terwijl [naam1] op de grond lag, hem slaan tegen zijn lichaam,
en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (blauwe plek aan linkerkant voorhoofd en een wond aan de binnenkant van de bovenlip) voor [naam1] ten gevolge heeft gehad.
Zaak met parketnummer 18-169455-18:
hij op 23 juli 2018, in de gemeente [plaats] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening
in/uit een woning onderdeel uitmakend van een appartementencomplex gelegen aan de [adres2] weg te nemen een of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte
en zich daarbij de toegang tot die woning en/of dat appartementencomplex te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, zich naar dat appartementencomplex heeft begeven en het slot van de toegangsdeur van dat appartementencomplex heeft opengebroken/geforceerd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-117983-18 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Het in de zaak met parketnummer 18-169455-18 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18-169455-18 bewezenverklaarde een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Namens verdachte is aangevoerd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Verdachte zou, op het moment dat hij bezig was met het forceren van het slot, ineens tot inkeer zijn gekomen en zijn weggegaan. Niet is gebleken van een externe aanleiding om de plaats van het delict te verlaten.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de verklaring van getuige [getuige1] stelt het hof het volgende vast. In de vroege ochtend van 23 juli 2018, rond 03.00 uur, haalde een man met een hoodie spullen uit een rugzak en stak iets in het slot van een portiekdeur op de [adres2] . Hij bewoog iets heen en weer, alsof iemands iets in een slot steekt en heen en weer wrikt. Vervolgens klonk er een harde knal, alsof er iets afbrak. De man met de hoodie pakte de rugtas op en liep weg.
Uit onderzoek is gebleken dat het slot door de handelingen van verdachte onbruikbaar was geworden omdat de cilinder uit het slot stak. De rugzak die verdachte bij zich had, was gevuld met gereedschap dat wordt gebruikt voor het zogenaamde ‘slotentrekken’. Verderop werd op de grond een handschoen van verdachte aangetroffen.
Het voorgaande en in het bijzonder de passage die betrekking heeft op de harde knal en het vervolgens direct daarop door verdachte weglopen in aanmerking genomen, met achterlating van een handschoen, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van de wil van de verdachte afhankelijk waren. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt daarom verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer [naam1] letsel heeft bekomen. Bij de kassa’s van een supermarkt hebben verdachte en zijn broer [naam1] tegen het hoofd en het lichaam geslagen. Dergelijk geweld wakkert onveiligheidsgevoelens in de samenleving aan. Mensen willen en hoeven hiervan geen getuige te zijn. De aanleiding van het feit was gelegen in een conflict tussen [naam1] en iemand die bij verdachte op de sportschool zat. Verdachte kon zich niet beheersen en samen met zijn broer heeft hij [naam1] geslagen. Wat er ook zij van mogelijk voorafgaand gedrag van [naam1] , dit rechtvaardigt allerminst het handelen van verdachte.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak. Dat het bij een poging is gebleven, is te danken aan de knal die te horen was toen verdachte het cilinder van het slot wilde forceren. Daarop besloot verdachte weg te gaan.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 september 2021 is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld.
De advocaat-generaal heeft veroordeling gevorderd tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij serieuze pogingen onderneemt om een professionele kickbokscarrière op te bouwen en dat hij zijn leefstijl daaraan heeft aangepast. Hij heeft verklaard dat hij dergelijke feiten niet opnieuw zal begaan.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de advocaat-generaal in beginsel lijn is met de richtlijnen. Hij heeft niettemin oplegging van een kortere proeftijd bepleit.
Het hof houdt rekening met het feit dat verdachte na het plegen van de onderhavige strafbare feiten geen nieuwe justitie- of politiecontacten heeft gehad. Verder heeft het hof rekening gehouden met de geringe overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ongeveer 3 maanden.
Het hof acht de eis van de advocaat-generaal passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof acht ook de door de advocaat-generaal gevorderde proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Deze dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarnaast zal het hof een taakstraf aan verdachte opleggen zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 141 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-117983-18 en in de zaak met parketnummer 18-169455-18 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-117983-18 en in de zaak met parketnummer 18-169455-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 8 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.