ECLI:NL:GHARL:2021:10728

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
200.301.660/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging faillietverklaring ondanks ontbreken actief en betwisting vorderingen

In deze civiele procedure is appellant failliet verklaard door de rechtbank Overijssel op verzoek van meerdere schuldeisers. Appellant en zijn echtgenote tekenden verzet aan tegen het vonnis, dat door de rechtbank werd afgewezen. Vervolgens tekenden zij hoger beroep aan bij het hof Arnhem-Leeuwarden.

Appellant stelde dat hij niet in staat van faillissement verkeert omdat hij nog steeds vorderingen voldoet via beslaglegging op zijn uitkering en een gedeeltelijke restitutie van een verkeerd gehanteerde beslagvrije voet. Ook voerde hij aan dat het faillissement geen positief gevolg heeft voor de schuldeisers omdat er nog geen actief is.

Het hof oordeelde dat de vorderingen van de schuldeisers onbetwist zijn en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn betalingsverplichtingen voldoet of kan voldoen. Het pluraliteitsvereiste is vervuld en meerdere schuldeisers hebben zich gemeld. Het ontbreken van een actief is op zichzelf onvoldoende om het faillissement te vernietigen. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het verzet ongegrond.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de faillietverklaring en verklaart het verzet van appellant ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.301.660/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 271830 FT RK 21.586)
arrest van 18 november 2021
in de zaak van
[appellant] ,wonende te [woonplaats1] ,
in eerste aanleg: verweerder,
appellant,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. K.A. Faber, die kantoor houdt te Heerenveen,
tegen

1.Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,

gevestigd te Groningen,
2.
[geïntimeerde2] Relatiegeschenken B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
Intrum Nederland B.V.
gevestigd te Amersfoort,
in eerste aanleg: verzoekers,
geïntimeerden,
hierna:
LAVG c.s.,advocaat: mr. A. Gras, kantoorhoudende te Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 21 september 2021 is [appellant] op verzoek van LAVG c.s. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.C. Bosch tot rechter-commissaris en met de aanstelling van mr. J. Scholtens, advocaat te Zwolle, tot curator. [appellant] en zijn echtgenote, [de echtgenote] , hebben tegen dit vonnis verzet aangetekend, dat bij vonnis van 13 oktober 2021 is afgewezen door dezelfde rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift met bijlagen, binnengekomen bij de griffie van het hof op 20 oktober 2021, hebben [appellant] en [de echtgenote] , beroep aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank van 5 oktober 2021 en 13 oktober 2021. Dit beroepschrift is gecorrigeerd en met bijlagen opnieuw binnengekomen op 1 november 2021. [appellant] verzoekt het hof de vonnissen van 5 oktober 2021 (het hof begrijpt : 21 september 2021) en 13 oktober 2021 te vernietigen en het faillissement op te heffen (het hof begrijpt: te vernietigen).
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlage van 4 november 2021 van mr. Gras en van de brief met bijlagen van 5 november 2021 van de curator.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2021, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Namens LAVG is de heer [naam1] verschenen, bijgestaan door mr. Gras. Ook de curator is verschenen, samen met zijn kantoorgenoot mr. Karneris.

3.De beoordeling

3.1
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in het vonnis van 13 oktober 2021 het verzoek van [appellant] tot vernietiging van het op 21 september 2021 uitgesproken faillissement afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, omdat de vorderingen van de verzoekers van het faillissement op onherroepelijke vonnissen van de rechtbank zijn gebaseerd, deze vorderingen niet zijn voldaan door [appellant] en [appellant] onvoldoende middelen heeft om de vorderingen en de faillissementskosten integraal te voldoen.
3.2
Het beroep van [appellant]
kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en heeft daartoe, onder aanvoering van drie grieven, gesteld dat hij niet in de toestand is komen te verkeren dat hij opgehouden is te betalen.
[appellant] is van mening dat hij nog steeds de vorderingen van derden voldoet, nu beslag is gelegd op zijn uitkering en LAVG als deurwaarderskantoor de gelden verdeelt over de beslagleggers.
Bovendien is met LAVG overeengekomen dat € 8.000,- terugbetaald zal worden aan [appellant] , omdat de beslagvrije voet verkeerd gehanteerd was door de deurwaarder. Deze restitutie heeft gedeeltelijk plaatsgevonden.
Volgens [appellant] heeft het faillissement geen positief gevolg en bestaat derhalve geen noodzaak om het faillissement voort te zetten.
Het oordeel van het hof
3.3
Ter zitting van het hof heeft mr. Faber het beroep van [de echtgenote] naar aanleiding van vragen van het hof over haar ontvankelijkheid ingetrokken. Daarnaast heeft mr. Faber verklaard dat grief 2, die er toe strekt de vorderingen van LAVG c.s. te betwisten, niet langer wordt gehandhaafd.
3.4
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat een faillietverklaring op grond van
artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet (Fw) wordt uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag daarvan bestaand vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser(s), alsmede van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Voor dit laatste is noodzakelijk dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft (het pluraliteitsvereiste) en opgehouden is te betalen. Het hof dient de vraag of de schuldenaar in de toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen te beoordelen door rekening te houden met alle op het moment van de uitspraak bestaande feiten en omstandigheden, ook als deze op het moment van de faillietverklaring nog niet bestonden. Het hof toetst aldus naar het moment van nu.
3.5
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat het bestaan van de vorderingen van de aanvragers van het faillissement (de schuldeisers) vaststaat. Die vorderingen worden niet langer door [appellant] betwist en aan het pluraliteitsvereiste wordt voldaan. Bovendien hebben zich inmiddels meer schuldeisers bij de curator gemeld (CJIB, Belastingdienst). [appellant] heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat deze vorderingen door hem zijn voldaan of dat hij daartoe in staat is. Wat er ook zij van de discussie met de deurwaarder over de beslagvrije voet en de terugbetaling van een bedrag in verband daarmee, tot voldoening van al deze schuldeisers heeft dat niet geleid en kan dat niet leiden.. Dit brengt met zich dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
3.6
Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat het faillissement voor LAVG c.s. geen enkel positief gevolg zal hebben, zodat zij, zo begrijpt het hof, daarbij geen redelijk belang hebben. Het enkele feit dat – op dit moment – nog geen actief zou zijn aan te wijzen is daartoe op zich niet voldoende om het faillissement te vernietigen [1] . Het is immers aan de curator om – in het belang van alle schuldeisers – onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van het vermogen van de schuldenaar. Bovendien heeft [appellant] zelf in de stukken melding gemaakt van vorderingen op derden, waarover deels nog wordt geprocedeerd, zodat ook niet helemaal vast staat dat er geen actief is dat strekt tot verhaal voor de vorderingen van de schuldeisers.
3.7
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor faillietverklaring, zoals deze zijn neergelegd in artikel 6, derde lid, Fw.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 13 oktober 2021, waarbij het verzet van [appellant] tegen zijn faillietverklaring ongegrond is verklaard, dus bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 13 oktober 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J. Smit, en mr. R.A. Boon en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2021.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2000:AA8256