AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen parkeerboete wegens parkeren buiten toegestane tijden binnen parkeerverbodszone
De betrokkene werd beboet voor het parkeren op een parkeergelegenheid op andere wijze dan aangegeven binnen een parkeerverbodszone in Maastricht. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
In hoger beroep stelde de gemachtigde dat het voertuig correct in een parkeervak stond en dat het bord E4 met onderbord niet van toepassing was op dat vak, of dat het bord buiten de aangegeven tijden niet gold. Het hof oordeelde dat het bord E4 met onderbord wel geldt voor de gehele parkeerstrook, inclusief het vak waar het voertuig stond, en dat parkeren buiten de op het onderbord aangegeven venstertijden niet is toegestaan.
Het hof stelde vast dat de feitcode onjuist was toegepast en wijzigde deze van R397e naar R397f, passend bij het parkeren op verboden tijden. Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 935,- aan betrokkene.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond, wijzigt de feitcode en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.039/01
CJIB-nummer
: 210371488
Uitspraak d.d.
: 22 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 september 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel zijn aanvullende stukken in het geding gebracht, in afschrift doorgezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop bij schrijven van 5 maart 2019 gereageerd, in fotokopie doorgezonden aan de advocaat-generaal.
Een reactie van de advocaat-generaal daarop is uitgebleven.
De beoordeling
1. De gemachtigde voert allereerst aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie het administratief beroep terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard op grond van de overweging dat er geen onderzoek, maar slechts een belangenafweging heeft plaatsgevonden. De gemachtigde wijst erop dat inhoudelijke gronden zijn aangevoerd tegen de inleidende beschikking en dat reeds om die reden geen sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep.
2. Het hof stelt vast dat de betrokkene in administratief beroep inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de inleidende beschikking. Uit de beslissing van de officier van justitie kan worden afgeleid dat die verweren zijn beoordeeld, maar dat ze voor de officier van justitie onvoldoende aanleiding hebben gegeven om de beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te verlagen.
3. Het hof is van oordeel dat het beroep, gelet op het hiervoor overwogene, niet kennelijk - dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is. De officier van justitie heeft het beroep derhalve ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
4. Bovenstaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen
5. Voorts staat ter beoordeling van het hof het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 augustus 2017 om 17:26 uur op het Erasmusdomein in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde stelt zich ten aanzien van de inleidende beschikking op het standpunt dat deze geen stand kan houden. Allereerst wordt daartoe aangevoerd dat het voertuig van de betrokkene in een parkeervak stond, zodat geen sprake is van overtreding van het middels bord E1 aangeduide parkeerverbod. Daarnaast is geen sprake van een ‘aangegeven wijze’ en had voor die gedraging geen sanctie mogen worden opgelegd. Het bord E4 is bovendien niet van toepassing op het parkeervak waar het voertuig van de betrokkene stond, te meer nu dit bord geen zonale werking heeft. Indien en voor zover het bord E4 wel betrekking heeft op dit parkeervak, blijkt volgens de gemachtigde uit het onderbord niet dat parkeren uitsluitend is toegestaan binnen de daarop vermelde venstertijden. Immers staat op het onderbord niet vermeld wat die venstertijden betekenen. Mocht het hof van oordeel zijn dat het bord E4 wel van toepassing is op de op het onderbord vermelde tijden, dan meent de gemachtigde dat het bord E4 buiten die tijden aldus niet van toepassing is. Op die momenten staat dan eigenlijk helemaal geen bord E4, aldus de gemachtigde.
7. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van “parkeren op parkeerplaats op andere dan aangegeven wijze”, feitcode R397e. De gedraging met deze feitcode luidt als volgt:
“Als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid op een andere dan de aangegeven wijze.”
8. Deze gedraging is gebaseerd op artikel 24, eerste lid sub d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990).
9. Artikel 24, eerste lid, onder d, RVV1990 luidt als volgt:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
(…)
d. op een parkeergelegenheid:
1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;
2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;
3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden.”
10. Uit de verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht volgt slechts dat sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 24, eerste lid, onder d, RVV 1990. De stukken van het dossier bevatten daarnaast de verklaring van de ambtenaar, zoals opgenomen in het op 12 januari 2019 op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal, zoals dat door de advocaat-generaal in hoger beroep is overgelegd. In deze verklaring is - voor zover relevant - het volgende opgenomen:
“Op 19 augustus 2017, omstreeks 17:26 uur, bevond ik mij, in uniform gekleed en met toezicht belast, op de voor de openbare rij- en ander verkeer openstaande weg, Erasmusdomein, in zijn geheel gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Maastricht.
Ik zag dat in de Erasmusdomein een personenwagen geparkeerd stond. Ik zag dat deze personenwagen voorzien was van het Nederlandse kenteken [kenteken] . Erasmusdomein gelegen binnen de parkeerverbodszone van de gemeente Maastricht. Alle toegangswegen die leiden naar deze zone zijn voorzien van bord E1 bijlage I RVV 1990. Binnen de parkeerverbodszone is het alleen toegestaan te parkeren in de aangebrachte parkeervakken en/of op plaatsen alwaar duidelijk staat aangegeven dat parkeren is toegestaan. Ik zag dat het voertuig in een parkeervak stond. Ik zag dat bebording E4, bijlage I RVV 1990 parkeergelegenheid was aangegeven. Onder dit bord waren kadertijden aangebracht. Parkeren is uitsluitend toegestaan binnen de kadertijden, deze uren vallen binnen het brengen en ophalen van de school. Buiten deze tijden is het niet toegestaan om te parkeren in de Erasmusdomein.”
11. Als bijlagen bij voormeld proces-verbaal zijn gevoegd het brondocument en een zestal foto’s van de gedraging. Op die foto’s is een voertuig met voormeld kenteken te zien dat in een parkeervak staat, aangebracht in een parkeerstrook aan de kant van de weg naast het trottoir. Op één van de foto’s is een bord E4 te zien met onderbord dat geplaatst staat op het trottoir bij het begin van de parkeerstrook. Het voertuig van de betrokkene staat op korte afstand achter dit bord. Op het onderbord staat: “ma t/m vr 8.00 – 9.00 h
ma t/m vr 13.30 – 15.00 h
wo 12.30 – 13.00 h”
12. Uit de informatie in het dossier kan worden afgeleid dat ter plaatse sprake is van een parkeerverbodszone, aangeduid middels bord E1 van Bijlage I van het RVV 1990. Uit artikel 65, derde lid, jo. artikel 66 vanPro het RVV 1990, volgt dat binnen een parkeerverbodszone niet op de weg mag worden geparkeerd, behalve op de daartoe bestemde weggedeelten. Het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd in een parkeervak, dat onderdeel is van een langere parkeerstrook. Het wordt de betrokkene verweten dat hij zijn voertuig - binnen die parkeerverbodszone - heeft geparkeerd op een andere wijze dan op het bord of het onderbord is aangegeven. Het bord waar het hier om gaat, is voormeld bord E4 met onderbord. Beantwoording van de vraag of de betrokkene in de onderhavige zaak heeft gehandeld in strijd met de middels bord E1 aangeduide parkeerverbodszone kan derhalve achterwege blijven.
13. Mede gelet op het verweer van de gemachtigde ziet het hof zich thans voor twee vragen gesteld. Enerzijds moet worden bepaald of het betreffende bord E4 met onderbord van toepassing is op het parkeervak waar het voertuig van de betrokkene stond. Anderzijds moet de inhoud van de bebording worden geduid om de betekenis daarvan te kunnen bepalen.
14. Het hof stelt allereerst vast dat uit de wijze waarop het bord E4 is geplaatst, zoals te zien op de foto’s van de gedraging, kan worden afgeleid dat dit bord geldt voor de gehele parkeerstrook, waartoe ook het parkeervak behoort waarin het voertuig van de betrokkene stond. Het bord E4 is haaks op het trottoir geplaatst, aan het begin van de parkeerstrook. Na het bord begint de parkeerstrook met daarin aangebracht de parkeervakken. Voor het bord is geen zijweg en zijn geen parkeervakken. Voorgaande houdt in dat, in tegenstelling tot het standpunt van de gemachtigde daaromtrent, het parkeervak waar het voertuig van de betrokkene stond, onderworpen is aan de werking van het aldaar geplaatste bord E4 met onderbord. Het verweer van de gemachtigde dienaangaande faalt.
15. Met betrekking tot de tweede vraag die beantwoord dient te worden, is het volgende van belang.
16. Uit hoofdstuk E van bijlage 1 van het RVV 1990 blijkt dat een parkeergelegenheid wordt aangeduid met bord E4.
17. Artikel 67, tweede lid, van het RVV 1990 luidt voorts:
“Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.”
18. Het hof wijst er, met het oog op het hiervoor overwogene, nogmaals op dat ter plaatse sprake is van een parkeerverbodszone, waarbij het uitgangspunt is dat nergens mag worden geparkeerd, behalve op daartoe bestemde weggedeelten (zoals parkeervakken). Binnen de parkeerverbodszone is aan de weggebruiker middels bord E4 duidelijk gemaakt waar wel mag worden geparkeerd. Door middel van een onderbord kan het gebruik van die parkeergelegenheid vervolgens worden beperkt. In de onderhavige zaak volgt uit de tekst op het onderbord dat enkel op de daarop genoemde vensterdagen- en tijden gebruik mag worden gemaakt van die parkeergelegenheid. Buiten die vensterdagen- en tijden mag er, in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde meent, geen gebruik worden gemaakt van de parkeergelegenheid en geldt het regime van het algehele parkeerverbod, zoals aangeduid middels bord E1. Op grond van de verder niet betwiste informatie in het dossier kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene buiten de op het onderbord genoemde vensterdagen- en tijden aldaar geparkeerd stond, namelijk op een zaterdag (zaterdag 19 augustus 2017).
19. Het hof is met de gemachtigde van oordeel dat de door de betrokkene verrichte gedraging gelet op het bovenstaande niet valt onder feitcode R397e, maar onder feitcode R397f. In het geval de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad, is het - ook in hoger beroep - mogelijk om de feitcode en de daaraan gekoppelde omschrijving van de gedraging te wijzigen. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene niet in zijn verdediging geschaad, omdat uit de beroepschriften van de betrokkene blijkt dat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Bovendien is de hoogte van de sanctie dezelfde.
20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en die beschikking wijzigen in zoverre dat daarin als feitcode en omschrijving worden vermeld: "R397f" en "als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden".
21. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dient in totaal tweeënhalf procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 935,-.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat daarin als feitcode en omschrijving worden vermeld:
"R397f" en " als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden ";
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 935,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.