Op 14 juli 2019 ontstond een brand in de ouderlijke woning van de verdachte te Nieuwleusen, waarbij zijn broer om het leven kwam. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk stichten van brand op drie verschillende plekken in de woning. De rechtbank sprak verdachte eerder vrij, maar het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep.
Het gerechtshof heeft uitgebreid technisch en forensisch onderzoek laten verrichten, waaronder rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut en politie-experts. Ondanks deze onderzoeken kon geen sluitende oorzaak van de brandhaarden worden vastgesteld. De deskundigen konden een technisch gebrek als oorzaak niet uitsluiten, en ook was er geen concreet bewijs dat verdachte de branden heeft gesticht.
De verdachte vertoonde wel vreemd gedrag bij de brand, zoals roetsporen en het verlaten van de woning zonder waarschuwing, maar het hof achtte dit onvoldoende om het causaal verband tussen verdachte en de brand wettig en overtuigend te bewijzen. Gezien de onduidelijkheden omtrent de brandoorzaak en het ontbreken van direct bewijs, sprak het hof verdachte vrij van de tenlastegelegde opzettelijke brandstichting met de dodelijke afloop van zijn broer.