ECLI:NL:GHARL:2021:1086

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2021
Publicatiedatum
3 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.267.847/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 AwbArt. 3 WahvBeleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie milieuzone wegens geslotenverklaring motorvoertuigen

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctie opgelegd wegens overtreding van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen in een milieuzone in Rotterdam op 20 oktober 2018.

Het hof oordeelde dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden omdat de betrokkene niet adequaat was geïnformeerd over zijn recht om gehoord te worden, waardoor de kantonrechter de beslissing ten onrechte in stand hield. Daarom werd die beslissing vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.

Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de inleidende beschikking waarin een boete van €95,- was opgelegd. Het hof verwierp bezwaren tegen de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar, de juiste plaatsing van de bebording en de vaststelling dat het voertuig zich daadwerkelijk in de milieuzone bevond.

Ook het argument dat de gemeente Rotterdam de milieuzone later had ingetrokken, leidde niet tot vernietiging van de sanctie omdat de overtreding plaatsvond vóór die wijziging. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.267.847/01
CJIB-nummer
: 220915604
Uitspraak d.d.
: 3 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om daarop te reageren.
Bij e-mail van 15 januari 2021 heeft de gemachtigde van de betrokkene zijn zittingsverzoek ingetrokken.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden. De inleidende beschikking bevat geen informatie over het horen en de officier van justitie heeft de betrokkene geen termijn gesteld waarbinnen hij kon verzoeken om te worden gehoord. Onder deze omstandigheden had de officier van justitie niet van het horen mogen afzien.
2. Dit verweer slaagt. De inleidende beschikking is verzonden op 2 november 2018. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de op 11 juli 2017 nieuw ingevoerde inleidende beschikking een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is niet gebleken dat de betrokkene na het instellen van administratief beroep erop is gewezen dat hij, als hij door de officier van justitie wilde worden gehoord, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen afzien. Nu ook de andere uitzonderingsronden van artikel 7:17 van Pro de Awb zich hier niet voordoen, is de hoorplicht geschonden. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
3. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven nu geen bespreking meer.
4. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990 (milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 oktober 2018 om 13:07 uur op de Koninginnebrug in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
5. De gemachtigde voert aan dat de sanctie is opgelegd door een ambtenaar die daartoe niet (meer) bevoegd was. De geldigheidsduur van het getuigschrift buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van de betreffende ambtenaar waarvan de gemachtigde een kopie heeft overgelegd is namelijk verstreken.
6. Het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging is het uitgangspunt (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan over de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, is hiervoor onvoldoende.
7. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door een ambtenaar met nummer [000] en dat hij is beëdigd als boa bij akte met nummer [001] . De omstandigheid dat de gemachtigde een kopie van een getuigschrift boa afgegeven op 14 juni 2012 van een ambtenaar met administratienummer [002] heeft overgelegd - wat daar verder ook van zij - doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Het verweer faalt.
8. Voorts betwist de gemachtigde de plaatsing van de juiste bebording. Het verkeersbord C6 is niet zichtbaar op de foto, hetgeen in strijd is met het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: Beleidskader). Dit gebrek wordt niet op andere wijze ondervangen. Verder kan volgens de gemachtigde niet worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op enig moment in de milieuzone is geweest. Het voertuig is namelijk van de voorkant gefotografeerd. De gemachtigde verwijst in dat verband naar het arrest van het hof van 19 december 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:11042. Ook blijkt uit de beschikbare gegevens onvoldoende dat het voertuig van de betrokken behoort tot één van de categorieën voertuigen waarvoor de milieuzone geldt. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van 3 januari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:90. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de gemeente Rotterdam inmiddels heeft besloten de miliezone in te trekken en dat het niet te verkroppen is dat er na dat besluit nog handhavend wordt opgetreden. Dit mist ieder redelijk doel. Het is de gemachtigde niet bekend of de gemeente een ‘coulancebeleid’ hanteert. Daarom verzoekt hij het hof om de verantwoordelijk wethouder als getuige voor een zitting op te roepen, zodat daarover ter zitting een betekenisvolle discussie kan plaatsvinden.
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgesteld door een camera die enkele meters na het bord C6 is geplaatst. De borden C6 zijn voorzien van het woord ‘zone’ en hebben derhalve zonale werking. Onder het bord of bij het bord (of borden) is een onderbord geplaatst met de tekst: ‘Milieuzone (voertuigsymbool), Vrachtwagens Euro III en lager (voertuigsymbool), bestelauto’s en personenauto’s diesel 31-12-2000 en ouder. De euroklasse of datum van eerste toelating van dit voertuig was volgens de gegevens uit het RDW kentekenregister gelegen vóór de geldende vermelde datum en ook was voor dit voertuig ten tijde van de overtreding geen ontheffing afgegeven. De camera heeft vastgelegd dat het voernoemde voertuig kwam uit de zuidelijke richting van de Stieltjesstraat en reed in noordelijke richting naar de Prins Hendrikkade. De camera heeft vastgelegd dat het betrokken voertuig het voor hem bedoelde bord geslotenverklaring C6 negeerde en de geslotenverklaring in reed. Het bord geslotenverklaring C6 is geplaatst ter hoogte van de zuidelijke oprit van de Koninginnebrug. Bij een milieuzone is het noodzakelijk om een voertuig aan de voorzijde te fotograferen, omdat bij een samenstel van voertuigen het kenteken van het trekkende motorvoertuig moet worden vastgelegd. Daarom is het bord niet zichtbaar op de foto. De foto is genomen na het passeren van het bord bij het inrijden van de zone. De juiste plaatsing van de verkeersborden wordt maandelijks geschouwd. De wegbeheerder heeft geen melding van enige wijziging of bijzonderheid gedaan inzake de bebording waardoor deze deugdelijk aanwezig was op het moment van overtreding.”
11. In het dossier bevindt zich de foto waarmee de gedraging is vastgelegd. Hierop is de voorzijde van het voertuig met kenteken [00-YYY-0] te zien. Op de foto is geen bebording te zien.
12. In het ten tijde van de gedraging geldende Beleidskader waarnaar de gemachtigde verwijst is onder meer het volgende opgenomen:
“Indien camerasystemen in werking zijn waarop de borden niet zichtbaar zijn, dan zal een (minimaal) maandelijkse omgevingsschouw moeten plaatsvinden door een opsporingsambtenaar. Deze legt in een proces-verbaal vast dat de borden en de daarbij behorende onderborden juist zijn geplaatst”.
13. De advocaat-generaal heeft schouw processen-verbaal overgelegd, waarin voor zover relevant staat dat op 4 oktober 2018 en op 5 november 2018 de milieuzone borden op de betreffende locatie fysiek zijn geschouwd en in orde zijn bevonden. Het verweer van de gemachtigde over de bebording faalt dan ook.
14. Het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op enig moment in de milieuzone is geweest faalt eveneens. Uit het dossier volgt namelijk dat de foto in de onderhavige zaak - anders dan in de zaak waarnaar de gemachtigde verwijst - is genomen enkele meters na het passeren van het bord C6 bij het inrijden van de zone. Ook uit de afdrukken afkomstig van Google Maps Street View die de advocaat-generaal bij het verweerschrift heeft gevoegd blijkt dat de plaats waar het voertuig zich bevond op het moment dat de foto werd genomen vlak na het bord C6 is gelegen en dat het voertuig zich op dat moment dus reeds in de milieuzone bevond.
15. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat de milieuzone gold voor dieselauto’s van voor 1 januari 2001 en dat de datum van eerste toelating van het voertuig van de betrokkene volgens de gegevens uit het RDW kentekenregister voor deze datum was gelegen, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
16. De omstandigheid dat de gemeente heeft besloten dat de milieuzone in Rotterdam per 1 januari 2020 niet meer voor personen- en bestelauto’s geldt geeft het hof geen reden om de sanctie achterwege te laten. De onderhavige gedraging is verricht op 20 oktober 2018. Dat op een latere datum het geldende regime is gewijzigd, betekent niet dat deze sanctie ten onrechte is opgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat de gemeente een ‘coulancebeleid’ heeft gevoerd. Gelet hierop ziet het hof geen reden om de verantwoordelijk wethouder als getuige op te roepen. Het verzoek van de gemachtigde daartoe wordt dan ook afgewezen.
17. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
18. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.