ECLI:NL:GHARL:2021:10902

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
20/00742
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 27h, tweede lid, juncto artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag inkomstenbelasting en verzuimboete wegens niet doen aangifte 2016

Belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) te doen voor het jaar 2016, maar heeft hieraan geen gevolg gegeven. De Inspecteur heeft daarop ambtshalve een aanslag opgelegd op basis van een redelijke schatting van het belastbaar inkomen van €15.000, mede gebaseerd op een vermogensvergelijking en een A1-verklaring.

Belanghebbende voerde aan niet in Nederland verzekerd te zijn geweest voor de volksverzekeringen in 2016, maar leverde geen bewijs ter onderbouwing van zijn stellingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigde dit in hoger beroep. De omkering en verzwaring van de bewijslast leidde ertoe dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat de aanslag onjuist was.

Daarnaast is een verzuimboete van €369 opgelegd wegens het niet doen van aangifte, welke niet is bestreden door belanghebbende. Het Hof achtte deze boete passend en geboden. Belanghebbende is tijdig en correct uitgenodigd voor de zitting, maar is zonder kennisgeving niet verschenen. Het Hof heeft de zaak behandeld en het onderzoek gesloten. De uitspraak is openbaar gedaan op 23 november 2021.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting en verzuimboete wegens het niet doen van aangifte over 2016.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 20/00742
uitspraakdatum:
23 november 2021
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 juni 2020, nummer AWB 19/6285, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000. Bij afzonderlijke beschikkingen is belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd van € 369.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de voornoemde beschikkingen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2021 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord namens de Inspecteur mr. [naam1] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen

1. Bij een aangetekend verzonden brief van 27 september 2021 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 10 november 2021 om 11:30 uur te Arnhem. Uit informatie van Track & Trace blijkt dat deze uitnodiging op 30 september 2021 is afgehaald bij het postkantoor, waarbij voor ontvangst is getekend. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende is verzonden, heeft het Hof de zaak op de zitting behandeld en het onderzoek ter zitting gesloten.
2. Belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2016. Belanghebbende heeft daaraan, ook niet na daaraan te zijn herinnerd en daartoe op de wettelijk voorgeschreven wijze te zijn aangemaand, geen gevolg gegeven.
3. De Inspecteur heeft daaropvolgend aan belanghebbende ambtshalve een aanslag opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen van € 15.000. Daarbij heeft de Inspecteur rekening gehouden met een door hem opgestelde vermogensvergelijking en met de omstandigheden dat belanghebbende van beroep rijnvarende is, dat door de Sociale Verzekeringsbank een zogenoemde A1-verklaring is afgegeven dat belanghebbende in Nederland is verzekerd voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 en met het bekende inkomen over 2013 van € 45.000.
4. Belanghebbende voert aan dat hij in 2016 niet voor de volksverzekeringen verzekerd was in Nederland. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat, gelet op later door hem ontvangen informatie, de aanslag eerder te laag is dan te hoog.
5. Omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, moet op grond van artikel 58 Wet Pro financiering sociale verzekeringen in samenhang met artikel 27h, tweede lid, juncto artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het beroep ongegrond worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Belanghebbende, die slechts ongemotiveerd stelt dat ten onrechte geen vrijstelling is verleend voor de premie volksverzekeringen, heeft het van hem verlangde bewijs niet geleverd. De aanslag berust gelet op de in punt 3 van deze uitspraak genoemde gegevens en omstandigheden bovendien op een redelijke schatting. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft belanghebbende geen gronden aangevoerd.
6. Omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan heeft de Inspecteur hem een verzuimboete opgelegd van € 369. Dat de aangifte niet door hem is gedaan, heeft belanghebbende niet bestreden. Feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat dit hem niet kan worden aangerekend zijn door belanghebbende ook in hoger beroep niet gesteld en ze zijn het Hof ook niet ambtshalve gebleken. In de omstandigheden van dit geval acht het Hof een boete van € 369 passend en geboden.
7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is op 23 november 2021 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter tekent in zijn plaats mr. Van Suilen.
De griffier, Namens de voorzitter,
(M.T.M. Hennevelt) (A.J.H. van Suilen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 november 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.