ECLI:NL:GHARL:2021:10955

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.274.577/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Art. 147 Wegenverkeerswet 1994Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking parkeren op trottoir met ontheffing

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren met een stilstaand voertuig op het trottoir, wat volgens artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verboden is. De betrokkene voerde aan dat hij een geldige ontheffing had en dat er geen hinder was voor voetgangers of rolstoelgebruikers. Hij stelde dat het voertuig geparkeerd was vanwege meterwisselwerkzaamheden en dat er voldoende ruimte was voor doorgang.

Het hof stelde vast dat het voertuig inderdaad op het trottoir stond, maar dat de betrokkene beschikte over een ontheffing verleend door de Minister van Infrastructuur en Milieu, die het parkeren op het trottoir toestond voor werkzaamheden. Het bewijs van hinder ontbrak, aangezien de constatering met een scanauto was gedaan zonder directe waarneming van hinder, en de foto's toonden geen belemmering.

Daarom oordeelde het hof dat de gedraging niet in strijd was met artikel 10 RVV Pro 1990 en vernietigde de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat geen kosten waren aangetoond die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens parkeren op het trottoir wordt vernietigd vanwege een geldige ontheffing en onvoldoende bewijs van hinder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.274.577/01
CJIB-nummer
: 220818868
Uitspraak d.d.
: 26 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [plaats1] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor (feitcode R315B): “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken.” Deze gedraging zou zijn verricht op 15 oktober 2018 om 9:15 uur op de Prinsengracht in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene - de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging - vraagt zich af welk verwijt hem wordt gemaakt. Er wordt elke keer een andere uitleg gegeven aan de gedraging, namelijk: stil staan op het trottoir, niet de rijbaan gebruiken, mogelijk gevaar en/of hinder voor overige weggebruikers veroorzaken zoals voetgangers, trottoir blokkeren waardoor hinder is ontstaan voor voetgangers. Verder voert de gemachtigde aan dat hij in het bezit is van een (geldige) ontheffing, waardoor hij mag stilstaan of parkeren waar dat normaal gesproken niet mag. Op 15 oktober 2018 was hij bezig met het wisselen van elektra- en gasmeters. Omdat er geen geschikte parkeerplaatsen beschikbaar waren en er wel in de nabijheid van de werkzaamheden moet worden geparkeerd, heeft de gemachtigde het voertuig op het trottoir van de Prinsengracht geparkeerd. Hij bestrijdt dat er geen vrije doorgang was voor voetgangers of mensen in een rolstoel. De gemachtigde wijst erop dat op de bijgevoegde foto te zien is dat er rondom het voertuig voldoende ruimte is en rolstoelgebruikers kunnen (nog) gebruik maken van het gedeelte van het trottoir dat schuin naar beneden afloopt. Ook wijst de gemachtigde op de overgelegde verklaringen van zijn collega’s, de heer [naam2] en de heer [naam3] . Tot slot voert de gemachtigde aan dat sprake is van rechtsongelijkheid. Aan andere bedrijven die werken en parkeren in de Jordaan is geen sanctie opgelegd, terwijl daar duidelijk geen sprake was van een vrije doorgang voor onder meer voetgangers. De gemachtigde verzoekt de inleidende beschikking te vernietigen en de kosten van zijn bezwaar en beroep te vergoeden.
3. Het hof begrijpt dat het verwarrend voor de gemachtigde is dat de gedraging door de officier van justitie en de kantonrechter anders is omschreven, dan de inleidende beschikking vermeld. Echter de kern van het verwijt dat wordt gemaakt is steeds dezelfde, namelijk overtreding van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In dit artikel is onder andere bepaald dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig ook andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde dit niet betwist kan worden vastgesteld dat het voertuig op het trottoir stond geparkeerd. Het hof dient, gelet op het door de gemachtigde gevoerde verweer, te beoordelen of hier sprake is van een gedraging in strijd met artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990.
5. In het dossier bevindt zich een verklaring afgegeven namens [naam4] N.V. waaruit blijkt dat de Minister van Infrastructuur en Milieu op 18 september 2017 een beschikking op grond van artikel 147 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 heeft gegeven, die inhoudt dat aan [naam4] NV en haar dochterondernemingen [naam5] BV en [naam6] NV, ten behoeve van het personeel voor uitvoerende en controlerende werkzaamheden op het gebied van openbare nutsvoorzieningen, alsmede ten behoeve van de aannemers van deze werkzaamheden en hun personeel binnen heel Nederland, voor alle wegen tot en met 31 december 2022, vrijstelling is verleend van onder meer het bepaalde in artikel 10 van Pro het RVV 1990.
6. Aan voornoemde vrijstelling is een aantal voorschriften en beperkingen verbonden. De hier relevante voorschriften en beperkingen luiden als volgt:
Voorschriften:
“2. Hinder voor het verkeer dient tot een minimum beperkt te worden, zo nodig dient daartoe het voor de uitoefening van de taak gebruikte voertuig te worden verplaatst. (…)
Beperkingen:
Van de beschikking mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dat voor de onmiddellijke uitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. De betrokken medewerker kan dus in de nabijheid van het voertuig uitleg geven aan toezichthouders.”
7. Door het openbaar ministerie is niet betwist dat het voertuig van de betrokkene ter plaatse stond geparkeerd ten behoeve van de uitvoering van de door de gemachtigde genoemde werkzaamheden. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het op deze wijze parkeren van het voertuig tot hinder voor het overige verkeer heeft geleid.
8. Uit het dossier blijkt dat voor het vaststellen van de gedraging gebruik is gemaakt van een zogenaamde scanauto. Dit brengt mee dat de ambtenaar die heeft vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op het trottoir stond geparkeerd, zelf niet ter plaatse was. Hierdoor bevat het dossier geen informatie van de ambtenaar op basis waarvan kan worden vastgesteld dat door het op deze wijze parkeren van het voertuig hinder is ontstaan voor het overige verkeer. Ook uit de door de apparatuur in de scanauto gemaakte foto’s van de gedraging blijkt niet dat en in welk opzicht het overige verkeer, met name voetgangers, is gehinderd. Het dossier bevat daarmee onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat niet is voldaan aan bedoeld voorschrift. Het parkeren van het voertuig valt onder het bereik van de ontheffing.
9. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een gedraging in strijd met artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
10. De betrokkene heeft verzocht om de kosten van het bezwaar en beroep te vergoeden. Artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, van de Wahv verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) van overeenkomstige toepassing. Artikel 1 van Pro dit Besluit bevat een limitatieve opsomming van de kosten waarop een veroordeling in de kosten betrekking kan hebben. Niet gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof zal het kostenverzoek van de betrokkene daarom afwijzen.
11. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voornoemd CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.