ECLI:NL:GHARL:2021:11034

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
30 november 2021
Zaaknummer
200.289.188
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:208 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wateroverlast vormt gebrek maar schade niet toerekenbaar aan verhuurder

Op 3 maart 2017 kreeg de huurder te maken met wateroverlast in zijn appartement, wat schade veroorzaakte. De huurder startte een procedure tegen de verhuurder, Stichting Volkshuisvesting Arnhem, en de Vereniging van Eigenaren (VvE). De kantonrechter stelde dat de VvE niet aansprakelijk was, maar Volkshuisvesting wel omdat sprake was van een gebrek.

In hoger beroep stelde het hof vast dat de wateroverlast inderdaad een gebrek vormde, omdat het huurgenot werd belemmerd. Echter, de oorzaak van de wateroverlast was niet duidelijk vastgesteld; mogelijk was een buiten het appartement gelegen standleiding bevroren. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de leidingen in het appartement zelf gebrekkig waren.

Het hof oordeelde dat schadevergoeding alleen verschuldigd is als het gebrek aan de verhuurder kan worden toegerekend, bijvoorbeeld door onvoldoende onderhoud of controle. Omdat een externe factor mogelijk medeoorzaak was, kon de schade niet zonder meer aan Volkshuisvesting worden toegerekend. Desondanks deed Volkshuisvesting uit coulance afstand van het recht om de reeds betaalde schadevergoeding terug te vorderen, waarmee de zaak werd beëindigd.

Het hof vernietigde de eerdere vonnissen van de kantonrechter en bepaalde dat elke partij haar eigen kosten draagt. Het arrest werd gewezen door drie rechters en op 30 november 2021 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof vernietigt de vonnissen en verstaat dat verhuurder de betaalde schadevergoeding niet terugvordert.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.289.188
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem 8201586)
arrest van 30 november 2021
in de zaak van
de stichting
Stichting Volkshuisvesting Arnhem,
gevestigd te Arnhem,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde partij,
hierna: Volkshuisvesting,
advocaat: mr. J.A. Kopp,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eisende partij,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.H.J. Joosten.

1.Het verloop van het proces

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 juni 2021 hier over. In dit tussenarrest heeft het hof een zitting aangekondigd. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2021. Volkshuisvesting en [geïntimeerde] zijn bij deze zitting aanwezig geweest, vergezeld van hun advocaten. Mr. Kopp heeft een toelichting gegeven aan de hand van spreekaantekeningen. Van de zitting is proces-verbaal gemaakt. Aan het eind van de zitting heeft het hof arrest bepaald۷.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Op 3 maart 2017 heeft [geïntimeerde] te maken gekregen met wateroverlast in het appartement dat hij van Volkshuisvesting huurt. Deze wateroverlast heeft schade veroorzaakt. [geïntimeerde] had op dat moment geen inboedelverzekering afgesloten die deze schade dekt. Om zijn schade vergoed te krijgen is hij onder andere deze procedure begonnen tegen Volkshuisvesting, verhuurder van het appartement, en de Vereniging van Eigenaren van de [de flat] (hierna: de VvE).
2.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de VvE niet aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] . Volkshuisvesting is dat volgens haar wel. Daartoe heeft zij overwogen dat er sprake is geweest van een gebrek en dat de daardoor veroorzaakte schade op grond van de verkeersopvattingen voor risico van Volkshuisvesting komt.
2.3.
Volkshuisvesting kan zich niet verenigen met dit oordeel en is in hoger beroep gegaan. Haar hoger beroep richt zich tegen zowel het tussenvonnis van 6 mei 2020 als het eindvonnis van 26 augustus 2020. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen tegen het oordeel dat de VvE niet aansprakelijk is. Of dat laatste oordeel terecht is, vormt dus geen onderdeel van dit hoger beroep.

3.De beslissing van het hof en de motivering daarvan

3.1.
Het hof komt tot de conclusie dat de wateroverlast valt aan te merken als een gebrek. Maar het oordeel van de kantonrechter dat de daardoor veroorzaakte schade op grond van de verkeersopvattingen aan Volkshuisvesting kan worden toegerekend, acht het hof onjuist. Hij licht dat hierna toe. Daarbij zal het hof de feiten die de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.17 heeft vastgesteld tot uitgangspunt nemen en die waar nodig wijzigen en/of aanvullen.
Is er sprak van een gebrek?
3.2.
De oorzaak van de wateroverlast is vooralsnog niet komen vast te staan. Het lijkt aannemelijk dat een buiten het appartement van [geïntimeerde] gelegen standleiding is bevroren en er na het ontdooien daarvan een opwaartse druk is ontstaan waardoor water in tegengestelde richting omhoog is gekomen, onder andere in het appartement van [geïntimeerde] . Of als gevolg van deze druk de leidingen in het appartement van [geïntimeerde] zelf zijn bezweken, is - anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld - niet komen vast te staan. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de leidingen in het appartement van [geïntimeerde] gebrekkig waren.
3.3.
De vraag is daarmee of de wateroverlast op zichzelf valt aan te merken als een gebrek. Dat is het geval. Een verhuurder moet een huurder het genot verschaffen dat de huurder van het gehuurde mocht verwachten. Als er minder dan dat genot wordt verschaft en normaal gebruik van de woning wordt verhinderd, is er sprake van een gebrek. De wateroverlast waar [geïntimeerde] op 3 maart 2017 mee te maken heeft gekregen, was zodanig dat deze hem en zijn gezin belemmerde in hun huurgenot. Daarmee vormt de wateroverlast een gebrek in de zin van de wet. De verhuurder is dan verplicht om te repareren zodat het gebrek wordt verholpen. Dat is ook gebeurd.
Toerekenbaar aan Volkshuisvesting?
3.4.
[geïntimeerde] heeft ook schade geleden door het gebrek. Maar niet ieder gebrek verplicht een verhuurder de schade te vergoeden die is ontstaan door dat gebrek. Dat is volgens artikel 7:208 Burgerlijk Pro Wetboek alleen het geval als het gebrek aan de verhuurder kan worden toegerekend. In dit geval gaat het om een gebrek dat na het aangaan van de huurovereenkomst is ontstaan. Voor toerekening moet er dan sprake zijn van omstandigheden waarvan de verhuurder een verwijt kan worden gemaakt. Dat kan onder andere het geval zijn als er op grond van de wet een risicoaansprakelijkheid voor de verhuurder geldt – zoals voor fouten van ondergeschikten of van door hem ingeschakelde ‘hulppersonen’. Maar bijvoorbeeld ook als de verhuurder onvoldoende controle, onderhoud en zorg met betrekking tot het gehuurde heeft uitgeoefend, en dat de verhuurder kan worden aangerekend. In ieder geval beoogt dit wetsartikel geen algemene risicoaansprakelijkheid voor de verhuurder in het leven te roepen voor schade die het gevolg is van een gebrek in het gehuurde.
3.5.
Dit betekent voor deze zaak dat niet zonder meer voorbij kan worden gegaan aan de vraag of de wateroverlast (mede) is veroorzaakt door een externe factor, zoals het bevriezen van een buiten het appartement gelegen standleiding. Als dat zo is, is dat een omstandigheid die moet worden betrokken bij beantwoording van de vraag of de schade aan Volkshuisvesting kan worden toegerekend, al dan niet op grond van de verkeersopvattingen. Dit betekent dat de grieven van Volkshuisvesting tegen het oordeel van de kantonrechter dat – kort gezegd – het gebrek op grond van de verkeersopvattingen voor risico van Volkshuisvesting komt en dat daarbij niet relevant is of er mogelijk een externe factor een bijdrage heeft geleverd aan het veroorzaken van de wateroverlast, slagen.
Gevolgen voor deze procedure
3.6.
Ondanks het slagen van de grieven zal het hof de zaak niet verder inhoudelijk behandelen. Volkshuisvesting heeft namelijk toegezegd dat zij bereid is de schadevergoeding die zij aan [geïntimeerde] heeft betaald, niet terug te vorderen. Dit doet zij uit praktische overwegingen en coulance, met dien verstande dat zij hiermee niet geacht kan worden zich neer te leggen bij de aansprakelijkheid en hoogte van de schade zoals de kantonrechter die heeft vastgesteld. [geïntimeerde] is met deze afspraak akkoord gegaan. Dit betekent dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, maar daarbij zal opnemen dat het hof verstaat dat Volkshuisvesting de al aan [geïntimeerde] betaalde schadevergoeding niet zal terugvorderen.
3.7.
De kosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het tussenvonnis van 6 mei 2020 en het eindvonnis van 26 augustus 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem;
verstaat dat Volkshuisvesting afstand doet van haar rechten om de schadevergoeding terug te vorderen, die zij op basis van de hiervoor vermelde vonnissen van de kantonrechter aan [geïntimeerde] heeft betaald;
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.W.J.M. Kemperink, A.E.F. Hillen en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 november 2021.