Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1995 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2019 gescheiden. In eerste aanleg heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, waarbij de vrouw een bedrag van € 65.952,70 aan de man moet betalen wegens overbedeling. De man is in hoger beroep gekomen tegen de pensioenverevening, de vergoeding voor investeringen in de huurwoning en de betalingsregeling van de overbedeling.
Het hof overweegt dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) van toepassing is omdat partijen deze niet hebben uitgesloten. De man voert aan dat de pensioenverevening onaanvaardbaar is vanwege het grotere ondernemingsvermogen van de vrouw, maar het hof oordeelt dat dit niet leidt tot onredelijkheid of onaanvaardbaarheid. De aandelen van de vrouw zijn verkregen met een uitsluitingsclausule en haar vermogen is onzeker vanwege ondernemersrisico's.
Ten aanzien van de investeringen in de huurwoning wijst het hof de vordering van de man af. De verbeteringen zijn geoorloofd en de vordering tot vergoeding kan alleen jegens de verhuurders worden ingesteld, niet jegens de vrouw als medehuurder. Ook een vergoeding voor toekomstig woongenot ontbreekt aan wettelijke grondslag.
De betalingsregeling voor de overbedeling wordt bevestigd. De vrouw kan het bedrag niet ineens betalen vanwege beperkte liquiditeiten en de noodzaak om een arbeidsongeschiktheidsverzekering in stand te houden. Het hof bepaalt dat de vrouw na betaling van de eerste termijn in december 2021 de resterende termijnen jaarlijks op 1 december dient te voldoen.
De bestreden beschikkingen worden bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap inclusief pensioenverevening en bevestigt de betalingsregeling voor de overbedeling.