ECLI:NL:GHARL:2021:11226

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
200.299.813
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende ouderlijke zorg

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2008, waarbij de ouders gezamenlijk het gezag hebben. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling reeds verlengd tot 10 juni 2022 vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en onvoldoende acceptatie van noodzakelijke zorg door de ouders.

De moeder is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging af te wijzen. Het hof heeft de procedure gevolgd, inclusief het horen van de minderjarige via Skype en een mondelinge behandeling.

Het hof bevestigt dat de criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling volgens artikel 1:260 lid 1 in Pro samenhang met artikel 1:255 lid 1 BW Pro zijn vervuld. De minderjarige vertoont gedragsproblemen, waaronder een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, en is betrokken bij incidenten op school. De moeder toont onvoldoende inzicht in de problematiek en weigert noodzakelijke hulpverlening, ondanks intensieve inzet van de gecertificeerde instelling.

Gelet op de ernst van de situatie, het belaste verleden van de minderjarige en de noodzaak van structuur en begeleiding, acht het hof verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 10 juni 2022.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.299.813
(zaaknummer rechtbank Overijssel 265783)
beschikking van 7 december 2021
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K. ter Mors te Almelo,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Enschede,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 2 september 2021;
  • een brief van de GI van 28 oktober 2021;
  • een e-mail van de GI van 4 november 2021 met producties.
2.2
Op 8 november 2021 is [de minderjarige] via een Skypeverbinding door de voorzitter van het hof gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 9 november 2021 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
  • de moeder per telefoonverbinding;
  • mr. M.P. Smit als waarnemer voor mr. Ter Mors;
  • [naam1] en [naam2] namens de GI.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2008 in [woonplaats] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 10 maart 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 24 maart 2020 en een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader tot 24 maart 2020. Bij beschikking van 12 maart 2020 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 10 juni 2020.
3.3
Bij beschikking van 8 juni 2020 is [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld tot 10 juni 2021 en is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader voor een half jaar, tot 10 december 2020.
3.4
Bij beschikking van 2 december 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd voor verblijf in een accommodatie bij een 24-uursvoorziening dan wel bij een pleegouder, tot 10 juni 2021.
3.5
[de minderjarige] is in maart 2020 bij de vader geplaatst. In december 2020 is hij op een groep van [naam3] in [plaats1] geplaatst. De moeder heeft [de minderjarige] na 26 april 2021 niet teruggebracht naar de groep. De GI heeft vervolgens haar verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken.
3.6
Bij beschikking van 11 oktober 2021 – ná de bestreden beschikking – heeft de kinderrechter de GI spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Bij beschikking van 22 oktober 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 10 juni 2022. [de minderjarige] verblijft sinds 12 oktober 2021 op een behandelgroep in [plaats2] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, tot 10 juni 2022.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen.
4.3
De GI voert mondeling verweer
.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor genoemde criteria en dat verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar noodzakelijk is. De kinderrechter heeft onder meer overwogen dat de zorgen over [de minderjarige] niet zijn verminderd. [de minderjarige] is geschorst geweest op school, vanwege verhalen over steek- en vechtpartijen die hij zou hebben meegemaakt, en bedreiging. [de minderjarige] lijkt in verband te worden gebracht met drillrap en de school heeft melding bij de politie gedaan. De moeder lijkt niet adequaat te reageren op het gedrag van [de minderjarige] en zij erkent zijn problematiek niet. Volgens de kinderrechter moet er zicht komen op de opvoedsituatie bij en de opvoedvaardigheden van de moeder en is begeleiding en coördinatie door de jeugdbeschermer ook de komende periode nog noodzakelijk om te werken aan de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] en om de continuïteit van de hulpverlening en de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Het hof neemt de gronden van de kinderrechter over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.3
Naast de hiervoor genoemde zorgen zijn er zorgen over het belaste verleden van [de minderjarige] , die gepest is, en over zijn oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD). Gelet hierop zijn regels, structuur en een voorspelbare opvoeding van belang voor [de minderjarige] . Gebleken is dat de moeder dit niet voldoende kan bieden en geen nee kan zeggen. Zo heeft zij [de minderjarige] eind april 2021 niet teruggebracht naar de groep, omdat [de minderjarige] dit niet wilde. De GI heeft toen besloten die situatie te laten bestaan en de moeder een kans te geven om met de inzet van intensieve hulpverlening toch zelf voor [de minderjarige] te zorgen. Na de bestreden beschikking is intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling (IOG) ingezet. De hulpverleners hebben een thuissituatie gezien waarin veel emoties zijn, geschreeuwd en gescholden wordt en er weinig zicht is op [de minderjarige] , waar hij verblijft en met wie hij omgaat. Nadat de moeder de hulpverleners vervolgens niet heeft binnengelaten en niet heeft meegewerkt aan een gezinsopname, is [de minderjarige] opnieuw uit huis geplaatst.
De moeder heeft nog altijd geen enkel inzicht in de zorgen over [de minderjarige] en accepteert de noodzakelijke hulpverlening niet. Dat is het hof ook uit de verklaringen van de moeder op de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken. Voor de GI is niet duidelijk of het ontbreken van inzicht bij de moeder voortkomt uit eigen problematiek van de moeder. Een psychodiagnostisch onderzoek bij de moeder is nog altijd niet van de grond gekomen en is volgens de moeder ook niet nodig. De moeder heeft het idee dat er niets aan de hand is en dat er een spelletje met haar wordt gespeeld. Dit maakt dat betrokkenheid van de GI nog altijd noodzakelijk is om de nodige hulpverlening te kunnen inzetten. [de minderjarige] zelf heeft tijdens het kindgesprek te kennen gegeven dat hij het geen probleem vindt dat iemand van de GI meekijkt.

6.De slotsom

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 juni 2021.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, voorzitter, E.B. Knottnerus en E. de Boer, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 7 december 2021 door de voorzitter uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.