ECLI:NL:GHARL:2021:11246

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.283.654/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.18.6 Regeling voertuigenWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctie wegens onjuiste kwalificatie voertuiggebonden lading zand

De betrokkene kreeg een sanctie van €380 opgelegd wegens het vervoeren van voertuiggebonden lading die gevaar kon opleveren door het vallen ervan. Deze overtreding werd vastgesteld op 21 juni 2019 in Leeuwarden. De betrokkene voerde aan dat het ging om zand, een losse lading, die door de geringe hoeveelheid en hoge schiet niet van het voertuig kon vallen.

De overtreding betrof artikel 5.18.6, derde lid, van de Regeling voertuigen, dat ziet op voertuiggebonden lading. Het hof stelde vast dat zand geen voertuiggebonden lading is, maar losse lading die afgedekt moet worden volgens het tweede lid van dit artikel. De feitcode was daarom onjuist toegepast.

Het hof besloot de sanctie te vernietigen en het beroep van de betrokkene gegrond te verklaren. Tevens werd de proceskostenvergoeding van €374 toegewezen aan de betrokkene. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten. Het hof wijzigde de feitcode niet vanwege het stadium van de procedure en het ontbreken van een verweerschrift hierover.

Uitkomst: De sanctie wegens onvoldoende zekering van voertuiggebonden lading zand wordt vernietigd omdat zand als losse lading moet worden beschouwd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.654/01
CJIB-nummer
: 226763113
Uitspraak d.d.
: 7 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “P060A - voertuig gebonden lading zodanig vervoeren dat gevaar bestaat voor het van voertuig vallen (stophout dekzeil etc.)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2019 om 11:19 uur op de Stationsweg in Leeuwarden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De betrokkene vervoerde zand dat, gelet op de geringe hoeveelheid en de hoge schiet, niet van het voertuig kon vallen.
3. De onder 1. vermelde gedraging, met feitcode P060A, ziet op een overtreding van artikel 5.18.6, derde lid, van de Regeling voertuigen (hierna: Rv).
4. Artikel 5.18.6 van de Rv houdt - voor zover hier relevant - in:
1. De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan:
o a.in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading;
o b.in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading;
o c.in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading;
In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.
2. Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.
3. In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen.
4. In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen.
5. Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.
5. Uit het zaakoverzicht en de foto’s in het dossier blijkt dat de verweten gedraging niet het vervoeren van een onvoldoende bevestigde voertuiggebonden lading is maar het vervoeren van onvoldoende afgedekte losse lading waardoor gevaar of hinder kon ontstaan als gevolg van afvallen of wegwaaien.
6. Daarop heeft artikel 5.18.6, derde lid, van de Rv geen betrekking. Mogelijk had in dit geval een sanctie kunnen worden opgelegd voor handelen in strijd met artikel 5.18.6, tweede lid, van de Rv (feitcode P061) met de omschrijving: “de losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden niet deugdelijk is afgedekt terwijl gevaar of hinder is ontstaan of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading”, maar het hof zal niet tot wijziging van de feitcode overgaan. Daartoe wijst het hof op het stadium van de procedure, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat de advocaat-generaal in het verweerschrift niet is ingegaan op een (mogelijke) wijziging van de feitcode.
7. Gelet op het voorgaande kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het hof zal als volgt beslissen.
8. De proceskosten, gemaakt voor rechtsbijstand, komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient 1 procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 374,- (= (1 x € 748,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 374,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.