Belanghebbende, eigenaar van een opduwer uit 1926 die als recreatievaartuig wordt gebruikt, kreeg een factuur voor havengeld van €415 voor het jaar 2020, gebaseerd op het tarief voor emissievaartuigen tot tien meter. Hij betwistte dit en stelde dat het tarief voor sleepboten had moeten gelden en dat de tariefstructuur in strijd is met rechtszekerheid, zorgvuldigheid en evenredigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat de Verordening en bijbehorende tarieventabel een rangorderegeling bevatten, waarbij het tarief voor recreatievaartuigen (tarief 4a) geldt indien van toepassing en tarief 7 alleen voor vaartuigen waarop de eerste tarieven niet van toepassing zijn. Hierdoor is het havengeld correct berekend.
Verder oordeelde het Hof dat de tariefdifferentiatie tussen emissievrije en emissievaartuigen een legitiem milieudoel dient en niet disproportioneel is, ook niet gezien het historische karakter van het schip en het geringe brandstofverbruik. Ook het verschil in behandeling met bewoners die zonder vergunning aan kaden mogen afmeren is gerechtvaardigd vanwege eigendom en beheer.
Het Hof concludeerde dat geen strijd bestaat met de genoemde rechtsbeginselen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.