Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van een penitentiair inrichtingswerker nadat hij het slachtoffer op de rug sprong en met zijn arm de keel dichtkneep, waardoor de ademhaling tijdelijk werd belemmerd. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het primair ten laste gelegde feit werd verworpen en het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer en getuigen, medische rapporten en foto’s van het letsel. Het hof verwierp het verweer van verdachte dat sprake was van een stoeipartij zonder wurggreep en achtte de verklaringen betrouwbaar en consistent. Het letsel en de ernst van de gedragingen maakten aannemelijk dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van zwaar lichamelijk letsel.
De straf werd vastgesteld op negen maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk, mede gelet op de recidive van verdachte en de ernst van het feit. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €2.500 toegewezen aan het slachtoffer wegens de impact en het letsel. Andere vorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Het hof legde tevens de schadevergoedingsmaatregel op.