De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling van hun kind, dat sinds december 2019 uit huis is geplaatst en verblijft in een gezinshuis. De moeder verzet zich tegen het gezamenlijk gezag en de omgang met de vader, terwijl het kind een positieve ontwikkeling doormaakt sinds de uithuisplaatsing.
Het hof verwijst naar eerdere beslissingen van de rechtbank en bevestigt dat het belang van het kind het best gediend is met gezamenlijk gezag van beide ouders. De omgangsregeling wordt uitgebreid tot één weekend per twee weken en de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te verdelen. De moeder wordt niet veroordeeld tot een dwangsom bij niet-nakoming van de zorgregeling, aangezien het kind in het gezinshuis blijft.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 8 juli 2021 en de GI wordt belast met het gezag over het kind voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Het hof wijst het verzoek van de moeder af om een deskundigenonderzoek te laten verrichten, omdat dit het belang van het kind schaadt. De moeder verschijnt niet bij de mondelinge behandeling en het hof compenseert de proceskosten tussen partijen.