ECLI:NL:GHARL:2021:11809

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.258.951/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €230 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 5 april 2018 in Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders in hoger beroep.

De gemachtigde voerde aan dat de telefoon op de schoot lag en dat de ambtenaar onduidelijkheden vertoonde in zijn verklaring, onder meer over de locatie en de wijze van vasthouden. Het hof constateerde meerdere ongerijmdheden tussen het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal, zoals verschillen in locatie en inconsistenties in de beschrijving van de handeling en het geslacht van de bestuurder.

Gelet op deze onduidelijkheden en het feit dat de ambtenaar mogelijk meerdere bestuurders controleerde, achtte het hof onvoldoende vaststaan dat de betrokkene de overtreding had begaan. Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.335,50.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wordt vernietigd en de proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.258.951/01
CJIB-nummer
: 215824941
Uitspraak d.d.
: 23 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren van de gemachtigde betreffen onder meer de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 april 2018 om 20:47 uur op de Valkenburgerstaat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt dat er geen telefoon is vastgehouden. De telefoon bevond zich op de schoot van de betrokkene zodat het vreemd is dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd dit heeft kunnen zien. Ook vindt de gemachtigde het vreemd dat de zaak op naam van twee verbalisanten staat terwijl ambtenaar [naam1] in het aanvullend proces-verbaal enkel spreekt over en van zichzelf. Bovendien spreekt hij steevast van “zijn” terwijl de betrokkene een vrouw is. Ook wijst de gemachtigde er op dat de betrokkene zich in een file bevond en afwisselend stilstond en reed. Op het moment dat de ambtenaar zag dat de betrokkene een telefoon in haar linkerhand (vast)had reed zij niet. Op het moment dat hij zag dat de betrokkene een telefoon gebruikte, reed zij wel maar gebruiken is nog geen vasthouden, aldus de gemachtigde. De gemachtigde stelt dan ook dat op basis van de waarnemingen van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof. De wijze van vasthouden bestond uit: met beide handen ter hoogte van haar schoot. (…)
De betrokkene is van het vrouwelijk geslacht.
Naam van ambtenaar 1: [naam1] . (…)
Naam van ambtenaar 2: [naam2] . (…)
Betrokkene gaf geen verklaring. (…).”
5. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal d.d. 11 juli 2019 overgelegd. Hierin verklaart ambtenaar [naam1] , voor zover hier van belang, als volgt:
“- Betrokkene reed in zijn voertuig over de Piet Heinkade te Amsterdam richting Centraal Station.
Betrokkene reed stapvoets in een file door de verkeersdrukte. Ik reed op een opvallende politiemotor en haalde de file in om verkeersdeelnemers te kunnen zien.
- Ik reed op een politiemotor en had zodoende vanuit een hogere positie zicht in de auto's die ik inhaalde. Ik zag dat betrokkene terwijl het voertuig nog reed zijn telefoon gebruikte. Ik zag dat betrokkene zijn mobiele telefoon vast had in zijn linkerhand en hierna op zijn been liet liggen. Betrokkene was de bestuurder van het voertuig.
- Ik zag bij de staande houding dat het een mobiele telefoon betrof. Ik weet zeker dat het een mobiele telefoon betrof, ik weet gezien het grote tijdsverloop niet meer wat voor merk telefoon dit betrof.
- Betrokkene heeft bij staande houding zijn mobiele telefoon getoond.
- Bij staande houding weet ik niet meer waar betrokkene de telefoon had gezien het grote tijdverloop.
Resumerend kan ik u zeggen dat ik met 100% zekerheid kan zeggen dat betrokken zijn mobiele telefoon gebruikte terwijl hij als bestuurder van een motorvoertuig reed en dat zijn voertuig aan het rijden was."
6. Het hof is van oordeel dat het zaakoverzicht onvoldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Met name blijkt hieruit niet voldoende op welke wijze de telefoon werd vastgehouden. De advocaat-generaal heeft derhalve terecht nadere informatie opgevraagd. Het hof dient derhalve te beoordelen of de aldus verkregen nadere informatie, dus het hiervoor weergegeven aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar, wel voldoende is om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht dan wel of er aanleiding is om daaraan te twijfelen.
7. De omstandigheid dat in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal steeds over “zijn” in plaats van “haar” wordt gesproken, geeft het hof op zichzelf geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. In dit geval vallen het hof echter een aantal andere ongerijmdheden op. Zo staat in het zaakoverzicht dat de gedraging is geconstateerd op de Valkenburgerstraat, terwijl blijkens het aanvullend verbaal de constatering op de Piet Heinkade is gedaan. Voorts staat in het zaakoverzicht vermeld dat een tweede ambtenaar aanwezig was, terwijl uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat deze motoragent de waarneming en staande houding heeft gedaan. Ook stemmen het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal niet overeen waar het gaat om de beschrijving van de wijze waarop de telefoon werd vastgehouden. In het zaakoverzicht staat dat dit was “met beide handen, ter hoogte van haar schoot” terwijl vervolgens in de aanvullende verklaring staat “met de linkerhand”.
8. Het hof is van oordeel dat deze ongerijmdheden van dien aard zijn dat niet duidelijk is of de nadere informatie van de ambtenaar betrekking heeft op de betrokkene in deze zaak. Dit geldt temeer nu uit het aanvullend proces-verbaal kan blijken dat de ambtenaar rond voormeld tijdstip meerdere verkeersdeelnemers heeft gecontroleerd. Dit brengt mee dat het aanvullend proces-verbaal evenmin voldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als na te melden. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven derhalve geen bespreking meer.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen het beroepschrift aan de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Aan het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep dient een half punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.335,50 (1,5 x 534 x 0,5 + 2,5 x 748 x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.335,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.