ECLI:NL:GHARL:2021:12028

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 december 2021
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
21-002248-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 lid 3 SvArt. 422 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk wegens te late appelschriftuur

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De officier van justitie had het hoger beroep ingesteld, maar de schriftuur met grieven werd niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep ingediend.

De advocaat-generaal stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een vergissing en langdurig verlof van de officier van justitie. Het hof oordeelde echter dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat van de officier van justitie verwacht mag worden dat wettelijke termijnen worden nageleefd en dat bij langdurig verlof adequate waarneming geregeld moet zijn.

Het hof vond geen zwaarwegende maatschappelijke belangen die een inhoudelijke behandeling van de zaak rechtvaardigen ondanks de termijnoverschrijding. Daarom verklaarde het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand bleef.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de appelschriftuur.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002248-20
Uitspraak d.d.: 20 december 2021
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-830204-19 en 18-193239-19, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-017414-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd tot 1 februari 2022 om 13:40 uur. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. B.V. Rafaela, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De officier van justitie heeft een schriftuur houdende grieven ingediend, gedateerd 28 augustus 2020, die ter griffie van de rechtbank is ontvangen op 21 augustus 2020. Aangezien het hoger beroep was ingesteld op 10 juli 2020 is de schriftuur niet binnen de in artikel 410 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorgeschreven termijn van veertien dagen na de instelling van het hoger beroep ingediend.
De advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Hij heeft daartoe betoogd dat, zoals in de schriftuur is vermeld, het verzuim om tijdig een schriftuur in te dienen het gevolg is van een vergissing bij het openbaar ministerie. Het alsnog opmaken van een schriftuur heeft vervolgens enige tijd op zich laten wachten wegens langdurig verlof van de officier van justitie in kwestie.
Naar het oordeel van het hof is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Van de officier van justitie mag worden verwacht dat bij wet voorgeschreven termijnen worden nageleefd. In geval van langdurig verlof of andere complicaties van organisatorische aard, dient de officier van justitie zorg te dragen voor waarneming van lopende zaken.
Voor het niettemin inhoudelijk behandelen van de onderhavige strafzaak ziet het hof geen zodanig zwaarwegende maatschappelijke belangen dat deze zouden moeten prevaleren boven het sanctioneren van een niet tijdig ingediende appelschriftuur. Het hof zal de officier van justitie daarom met toepassing van artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 20 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.