In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan. De zaak betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een drietal plofkraken en een thermische lanskraak. Het hof heeft het voordeel vastgesteld op €63.603,33, aanzienlijk lager dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde bedragen.
De betrokkene was eerder veroordeeld voor deze feiten, maar werd vrijgesproken van een plofkraak in een van de plaatsen. Het hof vond onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij andere kraken en hield rekening met de verdeling van de opbrengst onder meerdere daders. Besmeurde biljetten werden als wettig betaalmiddel gewaardeerd en niet van de opbrengst afgetrokken.
Het hof oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep gerechtvaardigd was door de complexiteit van de zaak en omstandigheden zoals Covid-19. De draagkracht van de betrokkene werd niet als onvoldoende beoordeeld om matiging toe te passen. De betalingsverplichting aan de Staat werd vastgesteld op het genoemde bedrag, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.