ECLI:NL:GHARL:2021:1402
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 16 februari 2021 betrokkene vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 augustus 2017, waarin de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 27.579,63 had vastgesteld en betrokkene hoofdelijke betalingsverplichting aan de Staat had opgelegd.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het niet verenigbaar is met de vrijspraak van betrokkene in de strafzaak. Gevolg hiervan is dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Tijdens de terechtzitting op 2 februari 2021 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal tot afwijzing van de ontnemingsvordering en van de standpunten van betrokkene en zijn raadsman. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan door het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden, waarbij mr. M.B. de Wit voorzitter was, met mr. J. Hielkema en mr. E. Pennink als raadsheren. Mr. Pennink was niet in staat het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Betrokkene is vrijgesproken en het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.