ECLI:NL:GHARL:2021:1412

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.071/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994Artikel 4 RVV 1990Artikel 6.4 onder 16 Beleidsregels BOAArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid BOA bij handhaving geslotenverklaring verkeersbord niet vastgesteld

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het overtreden van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen, met het verkeersbord C6. Deze sanctie werd opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) in het domein Openbare Ruimte. De betrokkene stelde dat de BOA niet bevoegd was om op te treden omdat handhaving van C-borden alleen is toegestaan als dit verband houdt met de openbare orde.

Het hof onderzocht het verkeersbesluit waarop de geslotenverklaring was gebaseerd en concludeerde dat deze was ingesteld ter verduidelijking van de verkeerssituatie en voor de verkeersveiligheid, zonder verband met de openbare orde. Beleidsregels en een brief van het College van procureurs-generaal bevestigen dat BOA’s alleen mogen handhaven op C-borden in relatie tot de openbare orde.

Omdat de geslotenverklaring niet was ingesteld vanuit het oogpunt van de openbare orde, was de BOA niet bevoegd de sanctie op te leggen. De sanctiebeschikking werd daarom vernietigd. Het hof kende tevens een proceskostenvergoeding toe aan de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking is vernietigd omdat de BOA niet bevoegd was de geslotenverklaring te handhaven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.071/01
CJIB-nummer
: 205114836
Uitspraak d.d.
: 15 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 september 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B.H.J. Hartgers, kantoorhoudende te Deventer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “handelen in strijd met geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 februari 2017 om 17:11 uur op de Maasboulevard in Maastricht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
3. De gemachtigde voert onder meer aan dat het niet duidelijk is of de ambtenaar bevoegd was om ter zake van gedragingen als de onderhavige handhavend op te treden. De ambtenaar is louter bevoegd om ter zake van artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) op te treden, voor zover het C-borden betreft in relatie tot de openbare orde. Volgens de betrokkene is er in dit geval geen sprake van handhaving die is ingestoken vanuit de openbare orde. Uit het door de ambtenaar overgelegd verkeersbesluit blijkt dat de geslotenverklaring in het leven is geroepen met het oog op het algemeen omgevings- en verkeersbelang.
4. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 62 van Pro het RVV 1990 in samenhang met het bord C6 van dat reglement. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [B] , buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in het domein Openbare Ruimte.
5. In artikel 6.4 onder 16 van de Beleidsregels boa, zoals deze golden ten tijde van de gedraging, is bepaald dat de boa Openbare Ruimte bevoegd is tot handhaving ter zake van:
Artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 en het RVV 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikel 4, 5, 6, 10, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het RVV 1990 voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Op 12 april 2011 is door het College van procureurs-generaal (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) nadere invulling gegeven in het kader van gemeentelijke handhaving van de WVW. Handhaving op negatie van C-borden (RVV 1990) is in relatie tot de openbare orde toegestaan.”
6. In de hiervoor genoemde brief van 12 april 2011 is het volgende vermeld:
“Het criterium openbare orde dient echter zo te worden verstaan, aldus het College, dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, de zogenaamde milieuzones” (vgl. het arrest van het hof van 14 juni 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:5537).
7. Gelet op het voorgaande is de bevoegdheid van de boa om te handhaven op gedragingen als in dit geval begrensd tot situaties die gerelateerd kunnen worden aan de openbare orde, bedoeld in de Beleidsregels boa en nader ingevuld door het College van procureurs-generaal.
8. De ambtenaar heeft in het aanvullend proces-verbaal van 24 juni 2018 verwezen naar het door [C] , Teammanager Milieu en Mobiliteit, voor de Wethouder Duurzaamheid, Mobiliteit en Kenniseconomie, namens het college van burgemeester en wethouders van Maastricht, genomen besluit verkeersmaatregel Maaspromenade/Gubbelstraat van 28 oktober 2013 (Ruimte/Mobiliteit en Milieu/2013-46247). Voor zover hier van belang is in dit besluit het volgende bepaald:
“Overwegende, dat uit het oogpunt van verduidelijking voor de weggebruikers en de verkeersveiligheid het gewenst is om het gedeelte van de Maaspromenade tussen de van Hasseltkade en de Wilheminabrug gesloten te verklaren voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.”
9. Uit dit besluit volgt dat de geslotenverklaring is ingevoerd uit het oogpunt van verduidelijking voor de weggebruikers en de verkeersveiligheid. Uit dit besluit valt naar het oordeel van het hof niet op te maken dat de openbare orde ten grondslag heeft gelegen aan de instelling van deze geslotenverklaring. Dat, zoals de advocaat-generaal stelt, een duidelijke verkeerssituatie de kans vergroot dat de ter plaatse geldende regels worden nageleefd en dat dit de verkeersveiligheid en dus de leefbaarheid ten goede komt, doet hier niet aan af. De ambtenaar verklaart in het aanvullend proces-verbaal dat het negeren van de geslotenverklaring in strijd is met de veiligheid en leefbaarheid van de gemeente Maastricht, maar deze stelling wordt niet ondersteund door de stukken in het dossier. De ambtenaar heeft geen feiten of omstandigheid aangegeven die betrekking hebben op de openbare orde en die ten grondslag hebben gelegen aan het opleggen van de sanctie. Gelet hierop is niet gebleken dat de ambtenaar bevoegd was een sanctie op te leggen. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven daarom geen bespreking meer.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal een proceskostenvergoeding toekennen voor de in administratief en in hoger beroep verrichte proceshandelingen. De door de kantonrechter toegekende vergoeding voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakte proceskosten is niet betwist. Aan het indienen van een administratief beroepschrift en een hoger beroepschrift dienen in totaal twee procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 534,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 534,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.