ECLI:NL:GHARL:2021:1426

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
200.288.272
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FwArt. 3:13 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging faillissement na toetsing misbruik en belang

In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd waarbij appellant in staat van faillissement werd verklaard op verzoek van verweerder.

Het hof overwoog dat het vorderingsrecht van verweerder vaststaat op grond van een onherroepelijk vonnis en dat appellant meerdere schuldeisers onbetaald laat, waarmee aan het pluraliteitsvereiste is voldaan. Tevens is bevestigd dat appellant verkeert in de toestand van te hebben opgehouden met betalen.

Appellant voerde verweer dat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid door verweerder en dat verweerder geen redelijk belang had bij de faillissementsaanvraag, onder meer omdat verweerder een executieerbaar vonnis bezit en het faillissement spoedig zou worden opgeheven. Het hof verwierp deze gronden en stelde dat het enkele feit dat een vonnis bestaat dat geëxecuteerd kan worden, onvoldoende is om misbruik aan te nemen. Ook kan niet worden uitgesloten dat appellant over meer inkomsten of vermogen beschikt dan bekend is.

De curator heeft bijzondere bevoegdheden om dit te onderzoeken. Gezien deze omstandigheden is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring en heeft het hof het vonnis van 5 januari 2021 bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het faillissement en oordeelt dat er geen misbruik van bevoegdheid of gebrek aan redelijk belang is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.288.272
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/21/3 F)
arrest van 15 februari 2021
in de zaak van
[appellant],
wonende te [A] ,
appellant, hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.A. van Ham,
tegen
[verweerder],
wonende te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe,
verweerder, hierna: [verweerder] ,
advocaat: mr. P.M. Jongeling.

1.De procedure in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 januari 2021 is [appellant] op verzoek van [verweerder] in staat van faillissement verklaard. Daarbij is
mr. M.A. van der Hoeven benoemd tot curator. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Bij ter griffie van het hof op 11 januari 2021 ingekomen verzoekschrift met bijlagen is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 januari 2021. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, [verweerder] in zijn verzoek tot faillietverklaring niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dat verzoek als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in beide instanties.
2.2
Het hof heeft naast het verzoekschrift met bijlagen de volgende stukken ontvangen:
- de brieven met bijlage(n) van 29 januari 2021 en 2 februari 2021 van mr. Van Ham;
- de brief met bijlagen van 4 februari 2021 van de curator en zijn (kort voor aanvang van
de mondelinge behandeling toegezonden) salarisvoorstel met onderliggende stukken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 februari 2021. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Namens [verweerder] is mr. Jongeling gehoord via een Skype-verbinding. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.
Tot slot is ook de curator via een Skype-verbinding gehoord.

3.3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
De rechtbank heeft het verzoek van [verweerder] om [appellant] in staat van faillissement te verklaren toegewezen, omdat (i.) voldoende is komen vast te staan dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden met betalen, (ii.) onbetwist sprake is van een vorderingsrecht van [verweerder] en (iii.) [appellant] meerdere schuldeisers heeft.
3.2
Het hof oordeelt als volgt.
Een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op dat moment) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand (het pluraliteitsvereiste). Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
3.3
Op grond van het onherroepelijk vonnis van 26 september 2018 van de rechtbank, waarin [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van de (op dat moment tot € 4.790,10 opgelopen) vordering, staat het vorderingsrecht van [verweerder] vast.
3.4
[appellant] heeft niet betwist dat hij ook andere schuldeisers onbetaald laat. Aan het pluraliteitsvereiste is dus voldaan. Ook de vraag of [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, beantwoordt het hof bevestigend. [appellant] heeft ook tegen dat oordeel van de rechtbank geen grief gericht.
3.5
[appellant] heeft een beroep gedaan op de artikelen 3:13 BW (degene die een bevoegdheid toekomt kan haar niet inroepen indien hij deze misbruikt) en 3:303 BW (zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe). [appellant] heeft aan dat
door [verweerder] gemotiveerd betwiste beroep het volgende ten grondslag gelegd:
(i.) door het uitgesproken faillissement is hij slechter af dan wanneer er geen faillissement zou zijn uitgesproken, omdat door het faillissement kosten aan de curator ontstaan en (door het vervallen van automatische incasso’s) achterstanden in de betaling van zijn vaste lasten aan nutsbedrijven en de verhuurder,
(ii.) [verweerder] heeft geen belang bij het faillissement, omdat hij een voor executie vatbaar vonnis heeft en dat faillissement op korte termijn wegens de toestand van de boedel zal worden opgeheven, zoals [verweerder] weet.
De deurwaarder had via inzage in Suwinet kunnen zien dat hij van een PW-uitkering moet rondkomen. Gelet op de laatste sommatie tot betaling van [verweerder] uit 2018, had (de deurwaarder van) [verweerder] bij hem kunnen volstaan met het opvragen van de voor de berekening van de beslagvrije voet benodigde gegevens. Dat is echter niet gebeurd.
3.6
Het hof is van oordeel dat het betoog van [appellant] geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat [verweerder] met de faillissementsaanvraag misbruik van zijn bevoegdheid maakt. Het enkele feit dat hij beschikt over een vonnis dat geëxecuteerd kan worden is daarvoor onvoldoende. Ook kan niet aangenomen worden dat een (redelijk) belang voor het aanvragen van het faillissement ontbreekt.
Ook al heeft [appellant] een PW-uitkering, dan nog valt niet uit te sluiten dat hij over meer inkomstenbronnen en/of vermogen beschikt of zou kunnen beschikken dan een deurwaarder kan achterhalen. Het is aan de faillissementscurator, die in een faillissement bijzondere bevoegdheden heeft (bijvoorbeeld de postblokkade), om dat grondig te onderzoeken.
3.7
De slotsom is dat is voldaan aan alle vereisten voor faillietverklaring. Het hof zal dan ook het vonnis van 5 januari 2021 bekrachtigen.

4.4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
5 januari 2021.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en J.G.B. Pikkemaat, en is op
15 februari 2021 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.