In hoger beroep is de rechtspersoon veroordeeld wegens het opzettelijk toepassen van circa 320 kubieke meter grond op een perceel weiland zonder de vereiste melding aan de Minister van Infrastructuur en Milieu ten minste vijf werkdagen vooraf. Het hof heeft de maand 'februari 2018' in de tenlastelegging gecorrigeerd naar 'februari 2019' wegens een kennelijke misslag, zonder dat dit de verdachte in haar rechtens te beschermen belang schaadde.
Het hof acht het bewezen dat de verdachte in oktober of november 2018 en in februari en maart 2019 de grondtoepassing heeft verricht zonder de melding te doen, en verklaart niet bewezen dat zij meer of anders heeft gedaan dan ten laste gelegd. De overtreding betreft een voorschrift krachtens artikel 12a van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Gezien de aard en ernst van de overtreding, het maatschappelijk functioneren van de verdachte en het ontbreken van eerdere strafbare feiten, legt het hof een geldboete van €1.500,- op, waarvan €750,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De eerdere strafbeschikking wordt vernietigd en het vonnis van de politierechter wordt herroepen.