In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om kennis te nemen van een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige die in Turkije verbleef. De minderjarige was in 2009 geboren en had een wisselend verblijf tussen Nederland en Turkije. De moeder had het gezag, maar de vader had het gezag volgens Turks recht.
De kinderrechter had het verzoek van de raad afgewezen en verklaarde zich bevoegd, maar het hof herzag dit oordeel. Het hof stelde vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op het moment van het verzoek in Turkije lag, mede door de coronamaatregelen die het verblijf in Nederland verlengden. De moeder en de minderjarige wilden terugkeren naar Turkije, wat ook daadwerkelijk gebeurde.
Het hof baseerde zijn oordeel op de Verordening Brussel II-bis, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gezien de feiten was de Nederlandse rechter niet bevoegd omdat de gewone verblijfplaats van het kind niet in Nederland was en er geen uitzonderlijke verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer bestond.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kinderrechter en verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling.