Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.De slotsom
€ 486
€ 760
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant, die een eenmanszaak dreef, huurde van Ovido een bedrijfsruimte aan de [a-straat] te [B]. Na beëindiging van de huurovereenkomst per 31 december 2018 werd in een eerdere procedure een voorwaardelijke tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten van €20.000 toegekend, mits appellant binnen een jaar een vergelijkbare winkelruimte zou huren.
In het bestreden vonnis wees de kantonrechter de vordering van appellant tot betaling van deze kosten en buitengerechtelijke incassokosten af en veroordeelde appellant tot betaling van dwangsommen aan Ovido wegens te late ontruiming. In hoger beroep stond centraal of appellant had voldaan aan de voorwaarde voor de tegemoetkoming en de rechtmatigheid van de dwangsommen.
Het hof oordeelde dat appellant zijn onderneming daadwerkelijk voortzette in een vergelijkbare winkelruimte aan de [b-straat] te [C], ondanks verschillen in oppervlakte, huurprijs en ligging. De voorwaarde was daarmee vervuld en Ovido werd veroordeeld tot betaling van €20.000 met wettelijke rente vanaf 1 februari 2019. De vordering tot buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De dwangsommenveroordeling tegen appellant werd bekrachtigd, omdat appellant onvoldoende had bewezen dat de ontruiming tijdig had plaatsgevonden.
Het hof veroordeelde Ovido in de proceskosten van appellant en in het hoger beroep, en veroordeelde appellant in de proceskosten van Ovido in reconventie. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Ovido wordt veroordeeld tot betaling van €20.000 aan verhuis- en inrichtingskosten met wettelijke rente; dwangsommenveroordeling tegen appellant wordt bekrachtigd; overige vorderingen worden afgewezen.