ECLI:NL:GHARL:2021:1565

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.251.941/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens geen zekerheidstelling in bestuursstrafzaak

De betrokkene, die gedetineerd is, stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van zekerheid en het ontbreken van een verschoonbare reden.

De gemachtigde voerde aan dat de door de officier van justitie verzonden zekerheidsbrieven niet aan de eisen voldeden. Het hof constateerde dat de brieven inderdaad niet aan de eisen voldeden en dat de tweede zekerheidsbrief niet was verzonden. Dit zou normaal tot vernietiging van de beslissing leiden.

Echter, de betrokkene had tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, waardoor hij niet in zijn belangen was geschaad. De kantonrechter had de zaak behandeld en het draagkrachtverweer verworpen, maar gaf geen nadere termijn voor zekerheidstelling omdat de gemachtigde namens de gedetineerde betrokkene afstand deed van die termijn.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard en bevestigde de beslissing. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.251.941/01
CJIB-nummer
: 213909192
Uitspraak d.d.
: 17 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de door de officier van justitie verzonden zekerheidsbrieven niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen.
3. In het dossier bevinden zich twee brieven van de officier van justitie omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 25 mei 2018 en een brief van 11 juni 2018. Het hof stelt vast dat deze brieven niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het is het hof bovendien ambtshalve bekend dat in de in deze zaak relevante periode de tweede zekerheidsbrief niet is verzonden.
4. In beginsel dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. In dit geval is daartoe echter geen aanleiding. De betrokkene heeft namelijk tijdig een draagkrachtverweer gevoerd. Aldus is hij door de onjuiste vermeldingen in die zekerheidsbrieven en door het niet verzenden van de tweede zekerheidsbrief niet in zijn belangen geschaad.
5. De kantonrechter heeft de zaak op 14 november 2018 op zitting behandeld. In de uitnodigingsbrief voor de zitting staat dat ter zitting de financiële positie van de betrokkene kan worden toegelicht en dat het raadzaam is om daarvan bewijstukken mee te brengen. De gemachtigde van de betrokkene is ter zitting verschenen. Hoewel de kantonrechter daar geen expliciete overweging aan heeft gewijd blijkt uit zijn beslissing dat hij het gevoerde draagkrachtverweer heeft verworpen. In beginsel dient de kantonrechter in een dergelijk geval de betrokkene vervolgens een nadere termijn te geven om alsnog zekerheid te stellen. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt echter dat de gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij geen contact met de betrokkene kan krijgen, aangezien de betrokkene is gedetineerd en dat het stellen van een nadere termijn voor zekerheidstelling geen nut heeft. Gelet op deze mededelingen van de gemachtigde mocht de kantonrechter het ervoor houden dat afstand was gedaan van de betalingstermijn en hoefde hij de betrokkene geen nadere termijn meer te geven om alsnog zekerheid te stellen.
6. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.