ECLI:NL:GHARL:2021:1631

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
19 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.204/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRMArt. 12 WahvArt. 20d WahvArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appelverbod buiten toepassing wegens schending verdedigingsrechten in verkeersboetezaak

De betrokkene kreeg een sanctie van €27 opgelegd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom. Hij stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde. Vanwege coronamaatregelen deed de betrokkene afstand van zijn recht op aanwezigheid bij de zitting. Tijdens deze zitting bracht de officier van justitie echter nieuwe stukken in waarop de betrokkene niet kon reageren, wat zijn verdedigingsbelang schaadde.

Het hof stelt dat het appelverbod van artikel 14 Wahv Pro niet geldt indien fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, zoals het recht op een eerlijk proces en het recht op verdediging volgens artikel 6 EVRM Pro. Omdat de betrokkene niet de kans kreeg om op de nieuwe stukken te reageren, is het appelverbod buiten toepassing gelaten.

Het hof zal de zaak op een openbare zitting behandelen waarbij de betrokkene de gelegenheid krijgt zijn zienswijze toe te lichten. Indien hij hiervan geen gebruik maakt, zal het hof het hoger beroep op basis van de stukken afdoen. De zaak wordt aangehouden totdat deze zitting heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Het appelverbod wordt buiten toepassing gelaten en de zaak wordt op een openbare zitting van het hof behandeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.282.204/01
CJIB-nummer
: 229634789
Uitspraak d.d.
: 19 februari 2021
Tussenarrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 24 juni 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De opgelegde sanctie bedraagt € 27,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
3. De betrokkene voert aan dat hij geen eerlijk proces heeft gekregen. Van de rechtbank heeft hij een brief gekregen met het verzoek om in verband met het coronavirus toestemming te verlenen om de zaak buiten zijn aanwezigheid ter zitting te behandelen. De betrokkene heeft hier toestemming voor gegeven. De kantonrechter heeft de door hem ingediende bezwaren echter niet in de beslissing meegewogen. De betrokkene is van mening dat hij, door het verzoek van de rechtbank om niet te komen naar een zitting in verband met het coronavirus, van de rechtbank wel mag verwachten dat er (extra) naar zijn standpunt en visie wordt gekeken. De betrokkene vindt dat er sprake is van dwaling.
4. Het hof stelt voorop dat de Wahv zelf geen mogelijkheid biedt tot het buiten toepassing laten van het in artikel 14, eerste lid, neergelegde appelverbod. Uit vaste rechtspraak van het hof volgt echter dat aan een procespartij het appelverbod niet wordt tegengeworpen indien een geslaagd beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het beroep door de kantonrechter, zoals gegarandeerd op grond van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) (vergelijk het arrest van dit hof van 12 juli 2018, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
5. Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM heeft een ieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. In het derde lid van dit artikel is aan een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, een aantal verdedigingsrechten toegekend.
6. Bij het instellen van het appelverbod heeft de wetgever voor ogen gehad dat de kantonrechter, in de zaken die vallen onder de reikwijdte van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Wahv, aan procespartijen de gelegenheid heeft geboden om hun zienswijze op een openbare zitting nader toe te lichten. Het door de wetgever bedoelde, in artikel 6 van Pro het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter, heeft aldus betrekking op het recht op een openbare behandeling van de zaak en de mogelijkheid van degene aan wie de sanctie is opgelegd om daarbij aanwezig te zijn om zich daar te verdedigen tegen die opgelegde sanctie.
7. Indien de kantonrechter - in strijd met voornoemd artikel - degene aan wie de sanctie is opgelegd niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunt op de openbare zitting toe te lichten, kan het aldus geduide in artikel 6 van Pro het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter meebrengen, dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, wegens strijd met deze bepaling, buiten toepassing moet worden gelaten. Grondslag daarvoor is artikel 94 van Pro de Grondwet. Het hof stelt in zodanige situatie procespartijen in de gelegenheid om op een openbare zitting van het hof hun zienswijze toe te lichten.
8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 27,- voor: “Overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, (verkeersbord A1) met 4 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2019 om 02.50 uur op de N408 (Plettenburgerbaan kruising Perkinsbaan) in Nieuwegein met het voertuig met het kenteken
[Y-000-YY] .
9. Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast. De betrokkene heeft in het beroepschrift aan de officier van justitie aangevoerd dat ter plaatse een maximumsnelheid van
80 km/h geldt en dat er kort na het verkeerslicht een bord met 70 km/h staat. Vervolgens heeft de ambtenaar op verzoek van de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Bij dit stuk is een proces-verbaal van schouw gevoegd en een tweetal foto’s. Deze stukken zien echter niet op de onderhavige pleeglocatie. In het beroepschrift aan de kantonrechter heeft de betrokkene dit ook benoemd.
10. Op 29 mei 2020 heeft de griffier van de rechtbank een brief naar de betrokkene gestuurd. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:
“Door het coronavirus kunnen wij u op dit moment niet uitnodigen voor een zitting. We weten niet wanneer dat wel weer kan. Voor mensen die naar een zitting willen komen, duurt het daardoor helaas langer om een uitspraak van de rechter te krijgen. De rechtbank weet dat veel mensen in dit soort zaken niet naar de zitting komen. Het zou zonde zijn als ook die mensen door het coronavirus langer op een uitspraak van een rechter moeten wachten.
De rechtbank wil daarom graag van u weten of u naar de zitting wilt komen.
Als u
nietnaar de zitting wilt komen, dan zal uw zaak op korte termijn buiten uw aanwezigheid worden behandeld. De rechter zal dan uiteraard kijken wat u in uw beroepschrift heeft aangevoerd tegen de verkeersboete. Ook zal het openbaar ministerie worden gevraagd om een standpunt. U krijgt daarna een schriftelijke uitspraak van de rechter. Als u
welnaar de zitting wilt komen, dan zullen we uw zaak inplannen zodra dat weer mogelijk is.
Wilt u binnen twee weken na de verzenddatum van deze brief aan de rechtbank laten weten of u wel of niet naar een zitting wilt komen?(…)”
11. De betrokkene heeft bij e-mail van 3 juni 2020 gereageerd op deze brief en geeft daarin onder andere aan dat hij van mening is dat hij in het kader van de gezondheid beter niet kan komen. In de e-mail herhaalt hij zijn eerder aangevoerde bezwaren.
12. Bij e-mail van 23 juni 2020 heeft de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie het bij de onderhavige pleeglocatie behorende "proces-verbaal van schouw digitale flitspaal" aan de rechtbank verzonden. Daarbij zit een bijlage “Schouwing Flitspalen” inhoudende dat onder meer op
5 oktober 2019 en 3 november 2019 een schouwing heeft plaatsgevonden. De zitting heeft vervolgens (een dag na de e-mail) op 24 juni 2020 plaatsgevonden. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie ter zitting is verschenen en dat aldaar de bij e-mail van 23 juni 2020 verstrekte stukken zijn besproken. Op grond van deze stukken is de kantonrechter vervolgens tot het oordeel gekomen dat de gedraging is verricht. De betrokkene heeft vervolgens tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en de kantonrechter gewraakt. De betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek, nu de kantonrechter ten tijde van dat verzoek reeds een einduitspraak had gedaan.
13. Het hof is van oordeel dat er in deze zaak aanleiding is het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv buiten toepassing te laten. Weliswaar heeft de betrokkene toegang tot de (kanton) rechter gehad, nu hij voor de zitting van de kantonrechter is uitgenodigd, maar de betrokkene heeft van het recht op een openbare behandeling van de zaak afstand gedaan in de gerechtvaardigde verwachting dat in
casudaardoor het recht om zich tegen de oplegging van de administratieve sanctie te kunnen verdedigen niet tekort zou worden gedaan. De officier van justitie is ter zitting evenwel met nieuwe informatie gekomen, terwijl de betrokkene niet de gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren. Daarmee is het recht van de betrokkene om zich ter zitting tegen de aan hem opgelegde punitieve sanctie te kunnen verdedigen tekortgedaan. Dat de betrokkene er zelf voor heeft gekozen om niet ter zitting te verschijnen, doet hieraan niet af, nu de betrokkene op basis van de informatie in de brief van de griffier van de rechtbank van 29 mei 2020 niet hoefde te verwachten dat de officier van justitie met nieuwe stukken zou komen. In het onderhavige geval had de kantonrechter de zaak moeten aanhouden en de betrokkene moeten uitnodigen voor een tweede zitting teneinde hem in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de officier van justitie overgelegde informatie.
14. Het hof zal op grond van artikel 20d, eerste lid, Wahv doen wat de kantonrechter had behoren te doen en daartoe de betrokkene in de gelegenheid stellen te worden gehoord door de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Deze zitting zal worden gehouden in Leeuwarden. Wanneer de betrokkene geen gebruik wenst te maken van die gelegenheid, verzoekt het hof hem dit binnen vier weken na de dagtekening van dit tussenarrest aan de griffier van het hof door te geven. In dat geval zal het hof het hoger beroep afdoen op basis van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De beslissing

Het gerechtshof:
bepaalt dat de zaak ter zitting van het hof wordt behandeld tenzij de betrokkene binnen vier weken na dagtekening van dit arrest aangeeft van die gelegenheid geen gebruik te willen maken;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.