Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verder te noemen: de bewindvoerder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De bewindvoerder van een onder bewind gestelde rechthebbende verzocht de kantonrechter om machtiging tot vervroegde uitkering van niet-opeisbare erfdelen aan de kinderen van de rechthebbende. De kantonrechter wees dit verzoek af en de bewindvoerder ging in hoger beroep.
De rechthebbende, geboren in 1928, verblijft sinds eind 2019 op een gesloten afdeling van een woonzorgcentrum en kampt met geheugenproblematiek passend bij de ziekte van Alzheimer, waardoor zij niet meer zelfstandig kan beslissen. De bewindvoerder baseerde zijn verzoek op een akte van boedelscheiding uit 1991 en op schenkingsakten uit 2005, waarin bepalingen zijn opgenomen over opeisbaarheid van vorderingen bij bewind.
Het hof overwoog dat het vervroegd uitkeren van niet-opeisbare erfdelen een beheersdaad is waarvoor rechterlijke machtiging vereist is. Het hof vond onvoldoende aannemelijk dat de rechthebbende de bedoeling had om onder de huidige omstandigheden tot vervroegde aflossing over te gaan. Er was geen sprake van een schenkingstraditie en de schenkingsakten boden geen expliciete grondslag voor vervroegde uitkering van de erfdelen. Ook andere aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om het verzoek toe te wijzen.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot machtiging voor vervroegde uitkering van niet-opeisbare erfdelen af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.