ECLI:NL:GHARL:2021:1695

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
23 februari 2021
Zaaknummer
200.261.751
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen opeisbare vordering dochter op vader uit meegroeistudieverzekering

De zaak betreft een geschil tussen een dochter en haar vader over de uitkering van een meegroeistudieverzekering die de vader tijdens zijn huwelijk had afgesloten. De dochter vorderde dat de vader het uitgekeerde bedrag aan haar zou betalen, vermeerderd met rente, omdat de verzekering bedoeld was voor haar studiekosten.

De rechtbank wees deze vordering af en het hof moest in hoger beroep beoordelen of de dochter gebonden was aan een eerder vonnis en of zij aanspraak kon maken op de uitkering. Het hof oordeelde dat er geen gezag van gewijsde was omdat de huidige vordering gebaseerd was op een andere grondslag, namelijk een contractuele aanspraak.

Hoewel vaststond dat de verzekering bedoeld was voor de studie van de dochter, stelde het hof dat de dochter de vader voldoende concreet had moeten informeren over haar studiekosten voordat een opeisbare vordering ontstond. Dit had zij nagelaten, ook nadat zij haar studie had afgebroken zonder dit te melden. Daarom was er geen opeisbare vordering en werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: De vordering van de dochter tot betaling van de meegroeistudieverzekering wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, familie
zaaknummer gerechtshof 200.261.751
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL18.13918)
arrest van 23 februari 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante in hoger beroep,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: de dochter,
advocaat mr. W.D. van Doorn te Amsterdam,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [A] ,
geïntimeerde in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder,
hierna: de vader,
advocaat mr. K.A. Boshouwers te Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 13 februari 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 30 april 2019,
  • de memorie van grieven,
  • de memorie van antwoord (met productie).
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.Het geschil in eerste aanleg en in hoger beroep

3.1
Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. De vader en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn de ouders van de dochter, die is geboren [in] 1993. De vader en de moeder zijn tot [in] 1996 met elkaar gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk heeft de vader een [B] Meegroeistudieverzekering afgesloten bij [C] N.V. onder certificaatnummer [00000] (hierna: de meegroeistudieverzekering). Op het verzekeringscertificaat staan als begunstigden vermeld (1) verzekeringnemer (de vader), (2) de moeder, (3) diens kinderen en (4) diens wettige erfgenamen. De meegroeistudieverzekering had een looptijd tot 1 juni 2010 en is op de einddatum aan de vader uitgekeerd. De moeder en de dochter menen dat de uitkering aan de dochter toekomt. De moeder is in 2010 een procedure gestart bij de rechtbank Amsterdam waarin zij kort gezegd heeft gevorderd dat de dochter als eerste begunstigde van de meegroeistudieverzekering dient te gelden, dan wel dat de dochter over het uitgekeerde bedrag dient te kunnen beschikken. De rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van de moeder bij vonnis van 12 januari 2011 afgewezen.
3.2
De dochter heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd dat de vader wordt veroordeeld om het opgebouwde saldo van de meegroeistudieverzekering kenbaar te maken, op straffe van een dwangsom, en om de op grond van de meegroeistudieverzekering uitbetaalde uitkering van (omgerekend naar euro’s) € 10.824,- aan de dochter te betalen, vermeerderd met de spaarrente vanaf 1 juni 2010 en de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018. Verder heeft zij gevorderd de vader in de kosten van de procedure te veroordelen.
3.3
Bij vonnis van 13 februari 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van de dochter afgewezen, met compensatie van de proceskosten.
3.4
De dochter is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 februari 2019 en vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en de vordering van de dochter alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.
3.5
De vader voert verweer en vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de dochter niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze vordering zal ontzeggen, met bekrachtiging van het vonnis van 13 februari 2019 en met veroordeling van de dochter in de proceskosten.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

Gezag van gewijsde (grieven 1 en 2)
4.1
In de eerste plaats is aan de orde of de dochter gebonden is aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2011 bij welk vonnis de vorderingen van de moeder zijn afgewezen. Het eerste lid van artikel 236 het Pro Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen, bindende kracht bevatten.
4.2
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat zowel de huidige procedure als de procedure die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2011 in feite is gevoerd tussen de vader en de dochter, waarbij de dochter in de eerder gevoerde procedure was vertegenwoordigd door haar moeder als wettelijk vertegenwoordiger.
4.3
Naar het oordeel van het hof is er echter geen sprake van dezelfde rechtsbetrekking.
Het antwoord op de vraag of in het eerder gevoerde geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of van het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Het gezag van gewijsde kan er niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerder gevoerde procedure naar voren had kunnen worden gebracht. (Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099.)
Uit de overwegingen van het vonnis van 12 januari 2011 volgt dat als grondslag voor de vorderingen in die procedure is aangevoerd
‘de vrees voor verduistering van het geld en eventueel een onrechtmatige daad’. Het oordeel van de rechtbank Amsterdam dat voor de vorderingen een rechtsgrond ontbreekt, althans dat de vorderingen onvoldoende concreet zijn onderbouwd, moet worden begrepen in het licht van die grondslagen. In de huidige procedure legt de dochter aan haar vorderingen ten grondslag dat zij aanspraak op de uitkering heeft op basis van een tussen de ouders gesloten overeenkomst. Over een contractuele aanspraak heeft de rechtbank Amsterdam zich niet uitgelaten, zodat de rechtbank Amsterdam geen beslissingen heeft genomen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen. Het hof zal daarom hierna de vordering van de dochter inhoudelijk beoordelen.
Aanspraak van de dochter op de uitkering (grieven 3 tot en met 5)
4.4
Niet in geschil is dat de vader als eerste begunstigde een vordering op [C] had tot uitkering van de meegroeistudieverzekering. De dochter voert aan dat zij op haar beurt een vordering op de vader heeft ter hoogte van het uitgekeerde bedrag. Deze vordering vloeit volgens de dochter voort uit een (stilzwijgende) overeenkomst tussen de ouders die inhoudt dat de uitkering van de meegroeistudieverzekering voor de financiering van de studie van de dochter bestemd is. De vader betwist niet dat de meegroeistudieverzekering is aangegaan met als doel het voldoen van de kosten van een opleiding van de dochter, zodat deze bedoeling vaststaat en het hof niet toekomt aan het bewijsaanbod van de dochter dat daarop ziet (zie onder III randnummer 6 van de dagvaarding van 30 april 2019).
4.5
Dat de meegroeistudieverzekering was bedoeld voor de financiering van de studie van de dochter, brengt naar het oordeel van het hof mee dat de dochter jegens de vader in beginsel aanspraak kan maken op (een bedrag ter hoogte van) de uitkering ter voldoening van haar studiekosten. Anders dan de dochter kennelijk meent, staat een (opeisbare) vordering van de dochter op de vader ter hoogte van het gehele uitgekeerde bedrag daarmee echter niet zonder meer vast. Het gegeven dat de uitkering een specifiek doel had en het dus kennelijk niet de bedoeling was dat het geld door de dochter voor andere doeleinden dan haar studiekosten zou worden gebruikt, brengt naar het oordeel van het hof redelijkerwijs mee dat van de dochter gevergd kon worden dat zij de vader voldoende concreet over haar studie en de daaraan verbonden kosten informeerde voordat de vader gehouden was om tot betaling over te gaan. Uit de stukken blijkt niet dat de dochter hieraan heeft voldaan. Zij heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij bereid was bepaalde gegevens te verstrekken, maar niet is gebleken dat zij de vader meer informatie heeft verstrekt dan de mededeling in 2011 dat zij zich voor een studie bij de universiteit zal inschrijven en de e-mail uit 2016 waarin zij schrijft dat zij in het tweede jaar van haar rechtenstudie zit, ook niet na specifieke verzoeken van de vader om in overleg te komen over de studie van de dochter. Dit is juist van belang omdat zij de studie op enig moment heeft afgebroken en daarvan haar vader aanvankelijk ook niet op de hoogte heeft gesteld. Nu de dochter heeft nagelaten de vader voldoende te informeren, is geen opeisbare vordering van de dochter op de vader ontstaan. De vordering van de dochter dient dan ook te worden afgewezen. De brief van de vader van 23 mei 2018 maakt dat oordeel niet anders. Het hof leidt uit die brief slechts af dat de vader in 2011, 2012 en 2016 nog bereid was de uitkering voor de studiekosten van de dochter aan te wenden bij voldoende overleg of informatie hierover. Van erkenning van een opeisbare vordering is geen sprake.

5.De slotsom

5.1
Gelet op het voorgaande slagen de grieven van de dochter deels, maar leiden deze niet tot vernietiging van het vonnis van 13 februari 2019. Het hof zal dit vonnis daarom bekrachtigen.
5.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren gelet op de omstandigheid dat partijen in een familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit.

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 13 februari 2019;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, M.H.H.A. Moes en H. Phaff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.