Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant1] ,
[appellante2],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant kocht in maart 2017 een woning die in 2009 was gebouwd. Kort na de overdracht klaagde hij over problemen met de vloerverwarming op de begane grond, met name in de keuken. Hij liet de vloerverwarming en vloer vervangen en vorderde schadevergoeding van geïntimeerde.
De kantonrechter kende een deel van de schade toe, maar het hof oordeelde dat het gebrek de normale bewoning niet wezenlijk aantastte. Appellant had onvoldoende onderbouwd dat het woongenot significant werd beperkt, mede omdat slechts één verwarmingsdeel uitviel en de overige elementen functioneerden.
Verder was er geen sprake van een schending van de mededelingsplicht door de verkoper, aangezien eerdere reparaties en mogelijke problemen bekend waren en geen garantie voor de toekomst konden worden afgeleid. Het hof stelde dat appellant meer onderzoek had kunnen doen of garanties had kunnen vragen.
Het bewijsaanbod van appellant werd niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan concrete feiten. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van appellant volledig af. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens gebrekkige vloerverwarming wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.