ECLI:NL:GHARL:2021:1733

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
23 februari 2021
Zaaknummer
200.285.462
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen bij vader wegens noodzakelijkheid voor verzorging en opvoeding

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader heeft toegestaan. De moeder heeft zes grieven ingediend tegen deze verlenging en verzocht om terugplaatsing van de kinderen bij haar.

De gecertificeerde instelling (GI) en de vader verzetten zich tegen het beroep van de moeder en verzoeken de machtiging tot uithuisplaatsing te handhaven. Het hof heeft de feiten en het advies van de raad voor de kinderbescherming beoordeeld, waaronder risico’s die bij de moeder zijn vastgesteld, zoals onvoldoende oog voor emotionele behoeften van de kinderen en gebrek aan structuur.

Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder blijft vasthouden aan zorgen over veiligheid, maar het hof acht deze niet voldoende onderbouwd en constateert dat de moeder onvoldoende aansluit bij de behoeften van de kinderen. Daarom wordt de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen bij de vader voor de resterende termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.285.462
(zaaknummer rechtbank Overijssel 253663)
beschikking van 23 februari 2021
inzake
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. T. Şeker te Enschede,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder],
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 28 augustus 2020 (mondeling, schriftelijk vastgelegd op 2 september 2020), 11 september 2020 en 1 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 1 oktober 2020 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 november 2020;
  • het verweerschrift van de GI met productie;
  • het verweerschrift van de vader;
  • een journaalbericht van mr. Şeker van 5 januari 2021 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Beuving van 12 januari 2021 met productie;
  • een journaalbericht van mr. Şeker van 15 januari 2021 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2021 plaatsgevonden door middel van een Skypeverbinding en telefonisch (de moeder). Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [C] en [D] namens de GI;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [E] , namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2014 in [F] en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2017 in [F] .
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.2
Bij beschikking van 17 maart 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI tot 17 maart 2021.
3.3
Bij mondelinge uitspraak van 28 augustus 2020, schriftelijk vastgelegd bij beschikking van 2 september 2020, heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis te plaatsen op het adres van de vader met ingang van 28 augustus 2020 tot 11 september 2020. Bij beschikking van 11 september 2020 heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd tot 2 oktober 2020 en de zaak voor het overige aangehouden.
3.4
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven sinds 28 augustus 2020 bij de vader.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op het adres van de vader verleend voor de resterende door de GI verzochte termijn tot 28 februari 2021.
4.2
De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging (hof:
verlening) van de machtiging tot uithuisplaatsing en de GI te gelasten de kinderen terug te plaatsen bij de moeder.
4.3
De GI voert verweer en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt voortgezet dan wel opnieuw wordt vastgesteld.
4.4
De vader voert verweer en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2
Aan het hof ligt voor het resterende deel van het (eerste) verzoek van de GI om haar te machtigen om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen. Dit resterende deel betreft de periode van 2 oktober 2020 tot 28 februari 2021. Hoewel in de bestreden beschikking de term verlenging wordt gehanteerd, is van een verlenging in de zin van artikel 1:265c lid 2 daarmee geen sprake.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat een raadsonderzoek naar onder meer het perspectief van de kinderen op korte termijn zal worden afgerond. De raad heeft het hof geadviseerd de machtiging tot uithuisplaatsing in ieder geval voor de duur van dat onderzoek te verlenen, om te voorkomen dat de verblijfplaats van de kinderen in korte tijd meermaals wijzigt.
5.4
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI ook voor het resterende deel moet worden toegewezen. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing bij de vader zijn door [G] in augustus 2020 risico’s bij de moeder geconstateerd, onder meer omdat de moeder niet altijd voldoende oog heeft voor wat de kinderen emotioneel gezien van haar nodig hebben en omdat zij de kinderen onvoldoende structuur en regelmaat biedt. Anders dan de moeder stelt, is het hof niet gebleken dat het onderzoek door [G] onvolledig of eenzijdig is. Ook in het raadsrapport zijn eerder in maart 2020 – maar dan in mindere mate – zorgen geuit over onder meer de overbelasting van de moeder als hoofdopvoeder en het gegeven dat de moeder de kinderen na de omgang met de vader onderwerpt aan het maken van beeldmateriaal. Met dat beeldmateriaal van, wat betreft [de minderjarige1] , de schaamstreek heeft de moeder haar meldingen bij de politie en de (huis)arts van seksueel misbruik van [de minderjarige1] door de vader willen onderbouwen. Van dergelijk misbruik is niet gebleken. Tijdens de uithuisplaatsing is gebleken dat de moeder nog altijd niet voldoende kan aansluiten bij wat de kinderen nu nodig hebben van een ouder. De moeder blijft vasthouden aan haar zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader en verliest daarbij het belang van de kinderen uit het oog. Zo heeft zij [de minderjarige1] ook tijdens de begeleide omgang (wederom) belast met een onderzoek van haar vagina en zij heeft daarbij ook de begeleider gevraagd mee te kijken. Daarnaast is zorgelijk dat [de minderjarige1] heeft geuit dat zij (volgens [de minderjarige1] heel vaak en meer dan [de minderjarige2] ) door de moeder is geslagen, ongeacht of dit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan of dat deze uitingen bijvoorbeeld voortkomen uit loyaliteitsproblematiek. Dat van die problematiek sprake is, wordt door beide ouders erkend. Gelet op al deze zorgen, acht het hof uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader ook voor de resterende periode van het verzoek noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.

6.De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover uitgesproken onder zaaknummer 253663.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 oktober 2020 voor zover uitgesproken onder zaaknummer 253663.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, als voorzitter, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 23 februari 2021 door de voorzitter uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.