ECLI:NL:GHARL:2021:1826

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.527
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken gronden bij bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, waardoor de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat wel gronden waren ingediend en dat er onduidelijkheid bestond over de ontvangst van het procesdossier.

Het hof stelde vast dat het beroepschrift van 15 mei 2017 geen gronden bevatte en dat de gemachtigde na een brief van de griffier waarin een termijn werd gesteld om het verzuim te herstellen, geen gronden heeft ingediend. De griffier had uit eigen beweging een kopie van het dossier toegezonden, maar dit leidde niet tot een nieuwe termijn. Ook was er geen bewijs dat een brief met gronden van 3 september 2018 daadwerkelijk aan de rechtbank was verzonden.

Het hof concludeerde dat de kantonrechter terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat er geen grond is voor een proceskostenvergoeding. De beslissing van de kantonrechter werd dan ook bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van beroepsgronden en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.527/01
CJIB-nummer
: 202390312
Uitspraak d.d.
: 25 februari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie
niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden van beroep zijn ingediend en dit verzuim evenmin binnen de daarvoor geboden termijn is hersteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat die beslissing geen stand kan houden om de volgende redenen. Het beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie bevat wel degelijk gronden. In dit beroepschrift wordt immers, naast een verzoek om een termijn om gronden aan te vullen, verwezen naar hetgeen reeds in de voorfase is gesteld. Daarnaast zijn ook middels (bijgevoegd) schrijven van 3 september 2018 gronden ingediend. De kantonrechter overweegt verder dat per e-mail is verzocht om het verzuim gronden in te dienen te herstellen, maar met een dergelijk e-mailbericht is de gemachtigde niet bekend noch is het toegestaan dergelijke berichten via de elektronische weg te versturen.
3. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - geen gronden bevat, moet de indiener daarvan op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb een termijn worden gegeven om deze alsnog in te dienen. Als door de indiener is verzocht om op de zaak betrekking hebbende stukken, moet de termijn ingaan na toezending van de stukken. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb heeft de kantonrechter de bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als het niet voldoet aan de vereisten in artikel 6:5 van Pro de Awb en dit verzuim ook niet is hersteld.
4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 15 mei 2017 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift bevat geen gronden. In het beroepschrift wordt verzocht om een termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden. De door de gemachtigde genoemde verwijzing naar reeds in de voorfase ingediende gronden ontbreekt.
5. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte brief van de griffier van de rechtbank d.d. 19 juni 2018 waarin de gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld het verzuim dat het beroepschrift geen gronden van beroep bevat te herstellen binnen vier weken na dagtekening. In het schrijven is het volgende vermeld:
“In uw beroepschrift heeft u verzocht om een afschrift van het procesdossier. Bij deze treft u een kopie van het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging aan.”
6. Het dossier bevat verder een op 16 juli 2018 gedateerd schrijven van de gemachtigde, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, waarin de gemachtigde erop wijst dat het procesdossier bij voormeld schrijven ontbrak. De gemachtigde merkt hierbij op dat het procesdossier, gelet op het onderwerp van de brief, bijgevoegd had moeten zijn. De gemachtigde verzoekt daarbij om alsnog een afschrift van het procesdossier toe te sturen en om een nadere termijn. Op dit schrijven is een handgeschreven notitie geplaatst waaruit blijkt dat het dossier in kopie is verstrekt op
16 juli 2018.
7. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de griffier van de rechtbank op 14 augustus 2018 om 10:01 uur een e-mail heeft verstuurd aan info@boetedossier.nl met daarin de opmerking dat nog steeds geen gronden van beroep zijn ontvangen en waarbij een termijn wordt gesteld van 14 dagen.
8. Bij brief van 13 september 2018 wordt de gemachtigde opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 18 oktober 2018. Het dossier bevat verder een brief van de gemachtigde d.d.
5 december 2018 waarin hij schrijft graag te vernemen wanneer de zaak op zitting komt.
9. Zoals reeds vastgesteld, bevat het beroepschrift van 15 mei 2017 geen gronden. Ook wordt daarin niet verzocht om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De brief van de griffier van de rechtbank d.d. 19 juni 2018, waarvan de ontvangst door de gemachtigde niet is betwist en waarmee de gemachtigde op juiste wijze in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is gebleken dat de gemachtigde het verzuim de gronden in te dienen heeft hersteld binnen de daartoe geboden termijn.
10. Dat de griffier van de rechtbank uit eigen beweging een afschrift van het procesdossier heeft willen toesturen, en daarvan melding heeft gedaan in die brief, doet aan het voorgaande niet af. De in de brief van 19 juni 2018 geboden termijn tot het indienen van gronden behoefde niet in te gaan na (daadwerkelijke) toezending van een afschrift van het procesdossier, nu daartoe geen verzoek was gedaan. Verder uitstel hoefde evenmin verleend te worden, omdat geen recht bestaat op uitstel voor het herstellen van een verzuim. De klacht van de gemachtigde aangaande de op 14 augustus 2018 verzonden e-mail kan derhalve onbesproken blijven.
11. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat (in elk geval) bij schrijven van
3 september 2018 gronden zijn ingediend, stelt het hof vast dat de stukken van het dossier een dergelijk schrijven niet bevatten. Het hof overweegt dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dit schrijven daadwerkelijk aan de rechtbank te hebben verzonden. Het enkel in hoger beroep overleggen van een kopie van die brief is niet afdoende. Het hof houdt het er dan ook voor dat dit schrijven niet is verzonden aan de rechtbank.
12. Voorgaande betekent dat de kantonrechter op juiste gronden het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die beslissing zal dan ook worden bevestigd en aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.