Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn in 2017 gescheiden en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun twee minderjarige kinderen. Na diverse verblijfswisselingen en een periode van uithuisplaatsing bij een zorginstelling, verblijven de kinderen sinds maart 2020 bij de vader. De raad voor de kinderbescherming heeft een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk geacht.
De kinderrechter heeft op 5 augustus 2020 een beschikking gegeven waarin de kinderen onder toezicht zijn gesteld en de uithuisplaatsing bij de vader is gemachtigd. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan met drie grieven: tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en tegen het niet toestaan van een contra-expertise op grond van artikel 810a lid 2 Rv.
Tijdens de procedure heeft de moeder haar grieven tegen de uithuisplaatsing ingetrokken, omdat zij inmiddels instemt met de plaatsing bij de vader. Hierdoor is het primaire verzoek niet-ontvankelijk geworden. De moeder handhaaft nog wel haar verzoek tot een nader onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv.
Het hof overweegt dat artikel 810a lid 2 Rv alleen toepassing vindt indien het onderzoek kan bijdragen aan een beslissing in de zaak. Nu er geen geschil meer is over de uithuisplaatsing, is het verzoek niet-ontvankelijk. Het hof verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep.
Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken in hoger beroep na intrekking van de grieven tegen de uithuisplaatsing.