Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een geldleningsovereenkomst bestond en wat de exacte huurbetalingen waren over de periode augustus 2014 tot en met juli 2015.
Het hof stelde vast dat appellant onvoldoende tegenbewijs leverde tegen het bestaan van de geldleningsovereenkomst. Daarnaast bleek uit de stukken en toelichtingen dat niet alle huurbetalingen door appellant waren voldaan zoals door geïntimeerde gesteld.
Voor de maanden juni en juli 2015 werd het door de kantonrechter toegewezen bedrag aan huur door het hof bijgesteld en verminderd. De wettelijke handelsrente werd gehandhaafd. Verder werd appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
De beslissing van het hof leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van het eerdere vonnis en een aangepaste betalingsverplichting voor de genoemde maanden, terwijl het vonnis voor het overige wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof past de betalingsverplichting voor de huur over juni en juli 2015 aan en bekrachtigt het vonnis voor het overige.