ECLI:NL:GHARL:2021:2092

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.258.363/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, WahvArt. 6:6 AwbArt. 13, tweede lid, Wahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens niet dragen autogordel ondanks betwisting

Betrokkene werd beboet voor het niet dragen van een autogordel tijdens het rijden op 9 mei 2018 in Sliedrecht. Tegen deze sanctie werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, die het beroep ongegrond verklaarde. De gemachtigde van betrokkene stelde dat de gordel wel gedragen werd en dat deze pas bij de staandehouding los was.

Het hof constateerde dat de kantonrechter het beroep ongegrond verklaarde zonder in te gaan op de door de gemachtigde ingediende gronden, wat niet voldeed aan de wettelijke eisen. Het hof beoordeelde daarom zelf of het beroep terecht ongegrond was.

De verklaring van de ambtenaar die de overtreding vaststelde, en de eigen verklaring van betrokkene dat hij geen gordel droeg tijdens het rijden, waren overtuigend. De ontkenning door de gemachtigde werd door het hof niet gevolgd. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De boete voor het niet dragen van de autogordel wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.258.363/01
CJIB-nummer
: 216677915
Uitspraak d.d.
: 4 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, omdat de gronden van het beroep ontbreken en dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat hij tijdig, bij faxbericht van 20 maart 2019, gronden heeft ingediend. Dit faxbericht is blijkens het daarop geplaatste stempel door de rechtbank ontvangen op 20 maart 2019.
3. Het hof stelt vast dat het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie geen gronden bevat en dat de gemachtigde heeft verzocht om een termijn om het beroep met redenen te omkleden en aan te vullen.
4. In de oproepingbrief voor de zitting van de kantonrechter van 21 maart 2019 is de gemachtigde verzocht om de gronden van het beroep - voor zover hier van belang - uiterlijk de dag voor de mondeling behandeling op 21 maart 2019 toe te sturen. In het dossier bevindt zich, zoals hiervoor weergegeven, een faxbericht van 20 maart 2019 dat op dezelfde dag door de rechtbank is ontvangen, waarin de gemachtigde de gronden van het beroep kenbaar heeft gemaakt.
5. Het hof stelt vast dat de kantonrechter geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:6 van Pro de Awb. De kantonrechter heeft het beroep niet niet-ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Omdat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op de bij voormeld faxbericht van 20 maart 2019 door de gemachtigde aangevoerde gronden, voldoet de beslissing van de kantonrechter niet aan de eis van artikel 13, tweede lid, van de Wahv. Met het oog op de beantwoording van de vraag of dit tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter moet leiden dan wel of die beslissing kan worden bevestigd met verbetering van gronden, zal het hof beoordelen of de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond heeft verklaard.
6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor:
“als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 mei 2018 om 19:01 uur op de Thorbeckelaan in Sliedrecht met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
7. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er geen sprake was van het rijden zonder gordel. De gordel werd tijdens het rijden gedragen en deze was pas los op het moment van staandehouding. Daarnaast is er geen sprake van een ambtsedige verklaring. Bij het ontbreken daarvan is er geen sprake van een bevoegd opgelegde sanctie, aldus de gemachtigde.
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. De Wahv stelt niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens:
Ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing, de gesp was hierbij zichtbaar.
(…)
Verklaring betrokkene: ik draag hem altijd, maar hoefde nu maar een kort stukje te rijden.”
10. Het hof heeft geen reden om aan de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar te twijfelen. De gedraging wordt weliswaar door de gemachtigde ontkend, maar aan deze ontkenning komt geen betekenis toe, nu deze voldoende wordt weersproken door de verklaring van de betrokkene tegenover de ambtenaar. Dit betekent dat op basis van de gegevens in het zaakoverzicht kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
11. Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van kantonrechter zal bevestigen, met verbetering van gronden.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.