ECLI:NL:GHARL:2021:2133

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
5 maart 2021
Zaaknummer
21-006726-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en vaststelling ontnemingsbedrag in hennepteeltzaak

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd. De betrokkene was eerder veroordeeld voor hennepteelt en de politierechter had een ontnemingsbedrag van €7.500,- opgelegd. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld op €7.297,24 op basis van een door de verdediging toegelichte berekening.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de verklaring van de betrokkene dat de totale opbrengst van de oogsten tussen €12.000 en €15.000 lag, met aftrek van gemaakte kosten. De verdediging voerde aan dat de betrokkene geen verdiencapaciteit heeft en verzocht om matiging van de betalingsverplichting, maar het hof achtte het aannemelijk dat de betrokkene, ondanks zijn cocaïneverslaving, in de toekomst in staat zal zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen.

Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft het hof de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op €7.297,24 en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 145 dagen. Het arrest is uitgesproken op 5 maart 2021 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het gerechtshof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €7.297,24 en legde de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006726-18
Uitspraak d.d.: 5 maart 2021
Tegenspraak
Ontnemingszaak
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 november
2018 met het parketnummer 18-211401-16 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 19 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de beslissing van de politierechter zal vernietigen en het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, alsmede diens terugbetalingsverplichting zal vaststellen op een bedrag van € 8.797,24.
Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter aan de betrokkene opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 7.500,-, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het gerechtshof verenigt zich niet met die beslissing zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Beoordeling

Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 8.797,24 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van
28 november 2018 (parketnummer 18-211401-16) veroordeeld tot straf ter zake van hennepteelt.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het gerechtshof de schatting van dat voordeel - conform de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep nader toegelichte wijze van berekening van dat voordeel door de verdediging, op basis van de verklaring van de betrokkene daarover bij de politie inhoudende dat de totale opbrengst van de oogsten tussen de 12.000 en 15.000 euro bedroeg (= +/- 13.500) - op een bedrag van (13.500 minus 4603,04 en 1599,72 euro aan kosten =) € 7.297,24.
De verplichting tot betaling aan de Staat
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdiencapaciteit van de betrokkene nihil is en heeft op grond daarvan bepleit dat diens terugbetalings-verplichting op nihil zal worden gesteld, dan wel aanzienlijk zal worden gematigd.
Ter onderbouwing van dit draagkrachtverweer zijn door de verdediging schriftelijke stukken over de draagkracht van de betrokkene aan het gerechtshof overhandigd.
Het gerechtshof gaat er echter op grond van de jonge leeftijd van de betrokkene en diens op basis daarvan veronderstelde mate van verdiencapaciteit - ondanks zijn huidige cocaïneverslaving - vanuit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Op grond daarvan zal het gerechtshof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het gerechtshof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
7.297,24 (zevenduizend tweehonderdzevenennegentig euro en vierentwintig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 7.297,24 (zevenduizend tweehonderdzevenennegentig euro en vierentwintig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 145 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M. Aksu, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. M.B. de Wit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 5 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Aksu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.